H4 - TW2 Flashcards

1
Q

Waarui bestaan zouten?

A

geladen deeltjes: ionen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke ionen zijn vaak plus geladen en welke min geladen?

A

Metalen zijn plus, niet metalen min.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Zouten zelf…

Binas tabel..

A

zijn ongeladen. Vandaar zijn ze in balans, er is sprake van een verhouding

40A

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is de stappenplan om een zout in balans te krijgen?

P.s…

Gebruik Calciumchloride als voorbeeld.

A

1) Noteer de deeltjes die je in het systematische naam zag.
2) Bekijk de ionlading van elke deeltje in Binas tabel 40A
3) Wat is de verhouding?
4) Maak de verhouding 1:1

notatie: plus naar min

1) Ca en Cl. 2) Ca^2+ en Cl^-1. 3) 2:1. 4) CaCl2

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waarom gebruik je geen Griekse nummergeving bij een zout?

A

Doordat er sprake is van balans, is er maar 1 manier het kan voorkomen, waardoor het Griekse nummergeving onnodig is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waardoor heb je weleens een Romeinse cijfer in de systematisch naam van een zout?

A

Want het kan dat er meerdere opties zijn voor een ion, je laat dan met een Romeinse cijfer zien welke je bedoelt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Je kan vaak toch erachter komen welke soort ion bedoeld wordt, hoe?

A

Door te kijken naar de tweede deel, als een ion een optie heeft op 1+ geladen te zijn en 2+, terwijl de niet metaal 2- is, is het hoogstwaarschijnlijk 2+

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn samengestelde ionen?

Binas tabel

A

een pakketje ionen met dezelfde lading.

66B of 45A

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Haakjes komen alleen voor bij..

A

samengestelde ionen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe moet je bijv. het aantal O’s berekenen bij Fe2(SO4)3?

A

Door wiskunde te gebruiken, 4 x 3 = 12.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Waardoor is water een dipoolmolecuul?

A

Want zuurstof trekt harder aan waterstof dan andersom, hierdoor is er sprake van elektronegativiteit => het is polair. => het wordt partieel geladen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat gebeurt er als je bijv. keukenzout probeert op te lossen in water?

A

Doordat water een dipoolmolecuul is en er sprake is van partieel geladen deeltjes samen met ionen, super geladen deeltjes, zullen de plus en de min elkaar aantrekken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Omschrijf wat er gebeurt met deeltjes als keukenzout oplost in water.

A

Negatieve chloorionen en partiele positieve waterstofdeeltjes trekken elkaar aan, andersom ook.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is iondipoolbinding?

A

= binding tussen ionen en dipoolmoleculen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is hydratatie?

A

het omringen van ionen door watermoleculen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat zijn gehydrateerde ionen?

A

gehydrateerde ionen = ionen die omringd zijn door een mantel van watermoleculen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Hoe geef je een mantel watermoleculen aan in een (reactie)vergelijking

A

met (aq) achter ionen te zetten.

18
Q

Waarvoor moet je opletten met zouten en oplosbaarheid in water?

A

Niet alle zouten zijn oplosbaar in water, soms is de ionbinding te sterk om ze uit de ionrooster te krijgen.

19
Q

Wat is een oplosvergelijking?

A

= vergelijking waarin je toont hoe stoffen oplossen

20
Q

In welke plek in de ionrooster begint hydratatie meestal?

A

In de hoek.

21
Q

Waarvoor moet je opletten bij het noteren van een oplosvergelijking?

A

Schrijf H2O niet in de vergelijking, zouten reageren er namelijk niet mee, ze lossen er slechts in op.

22
Q

Wat is een vuistregel bij zouten en oplossen?

A

Elke ion wordt afzonderlijk gehydrateerd, je noteert dus nooit NaCl (aq), maar Na+ (aq) + Cl- (aq)

23
Q

Finish de oplosvergelijking: CuCl2 (s) ->

A

Cu2+ (aq) + 2Cl- (aq)

24
Q

Wat is een indampvergelijking?

A

tegenovergestelde van een oplosvergelijking. water gaat eruit en dus vormt de ionrooster zich weer.

25
Q

Finish the indampvergelijking:
3Na+3 (aq) + PO4 -3 (aq)

A

-> Na3PO4 (s)

26
Q

Oplosbaarheid =

A

aantal deeltjes dat kan oplossen in een bepaalde volume met een bepaalde temperatuur.

27
Q

Goed oplosbaar in water:
Matig oplosbaar in water :
Slecht oplosbaar in water:

A

Goed: meer dan 0,1 mol/liter
matig: minder dan 0,1 mol/liter, maar meer dan 0,01 mol/liter
slecht: minder dan 0,01 mol/liter

28
Q

Stappenplan voor het bepalen of een stof goed,matig of slecht oplosbaar is in water.

A

1) Noteer de molecuulformule
2) Bereken de molaire massa
3) deel oplosbaarheid door molaire massa (gram per liter / gram per mol = mol/liter)
4) Gebruik schema van 45A

29
Q

Verzadigd=
onverzadigd=

A

Verzadigd= maximaal aantal stof opgelost
onverzadigd = niet max. aantal stof opgelost

30
Q
  1. Metaaloxiden regel met water
  2. O verandert naar..
A
  1. Metaaloxiden reageren met water, waardoor water nu wel in de reactievergelijking komt.
  2. O-2 ionen worden OH-1 ionen
31
Q

Wat zijn zouthydraten?

A

= zouten waarin (kristal)water in ingebouwd is in de ionrooster

32
Q

Wat is kristalwater?

A

Water dat is opgenomen in zo’n ionrooster

33
Q

Wat is regel van zouthydraten? + vorming voorbeeld

A
  1. per mol van een stof kan er een bepaald aantal mol water opgenomen worden, er is sprake van een verhouding.
  2. CuSO4 (s) + 5H2O (l) -> CuSO4 * 5H20 (s)
34
Q

Systematische naam van een zouthydraat?

A

Je doet het stof (met romeinse cijfer als nodig) samen met griekse nummer van aantal water en water schrijf je als hydraat.

vb. Koper(II)sulfaatpentahydraat

35
Q

Hoe bereken je het massapercentage van hydraat in een zouthydraat?

A

1) gebruik deel/geheel x 100 formule
2) bereken de molaire massa
3) vul in

36
Q

Hoe werkt het met kleurtjes bij zouthydraten? + binas tabel

A

Je moet kijken naar de metaal (positieve) ionen, hun kleur bepaalt de kleur van de zouthydraat, te vinden in binas tabel 65B

37
Q

Noteer de indampvergelijking, oplosvergelijking en vormingsvergelijking van een zouthydraat. vb. CuSO4 EN 5H20

A

Indamp = CuSO4 * 5H20 (s) -> CuSO4 (s) + 5H20 (g)
Oplos = CuSO4 * 5H20 (s) -> Cu+2 (aq) + SO4-2 (aq) + 5H2O (l)
Vorming = CuSO4 (s) + 5H20 (l) -> CuSO4 * 5H20 (s)

38
Q

Bij zouthydraten en vergelijkingen, welke is exo- en welke is endotherm?

A

indampvergelijking is endotherm, je hebt hitte nodig.

vormingsvergelijking is exotherm, je krijgt hitte en ziet rook.

39
Q

Wat is molariteit, eenheid en grootheid?

A

het is een soort concentratie, eenheid is mol/liter en grootheid is M

40
Q

Hoe noteer je molariteit en welke fout moet je niet maken?

A

Je noteert het als bijv. [Cl-] = 0,26 M.

di [] betekenen ‘concentratie chlorideionen’

SCHRIJF NOOIT [MgCl2] , want dan is het fout, ionen oplossen zich afzonderlijk, dus moet het apart. [Mg+2] en [Cl-]

41
Q

OEFNEN MET 4.4 WANT DAT IS MEER REKENEN DAN KENNIS!

A

Ay ay ma’am.