gs 4.1 tm 4.4 begrippen Flashcards

1
Q

Wanneer begon en eindigde de Eerste Wereldoorlog?

A

De Eerste Wereldoorlog begon in 1914 en eindigde in 1918.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat waren de belangrijkste oorzaken van de Eerste Wereldoorlog?

A

Een mix van nationalisme, militarisme, en een wapenwedloop tussen landen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wie waren de belangrijkste strijdende partijen in de Eerste Wereldoorlog?

A

De geallieerden (o.a. Frankrijk, Rusland, en later de Verenigde Staten) en de centralen (o.a. Duitsland en Oostenrijk-Hongarije).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat voor soort oorlog voerde Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog?

A

Een tweefrontenoorlog tegen zowel Frankrijk als Rusland.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welke gevolgen had de Eerste Wereldoorlog voor Europa?

A

Het Oostenrijkse en Ottomaanse rijk viel uiteen en het Vredesverdrag van Versailles werd in 1919 getekend.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat was de impact van de Eerste Wereldoorlog op Nederland?

A

Nederland bleef neutraal, maar voelde de impact door voedseltekorten en vluchtelingenstromen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is de Tijd van de wereldoorlogen?

A

De periode van 1900 tot 1950 die veel veranderingen bracht en de basis legde voor toekomstige conflicten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat gebeurde er in Rusland in 1917?

A

De communisten kwamen onder leiding van Lenin aan de macht door een staatsgreep.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat vormde Rusland in 1924?

A

De Sovjet-Unie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wie nam later de macht over in de Sovjet-Unie en hoe hield hij de bevolking onder controle?

A

Stalin, door middel van terreur en indoctrinatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wie vestigde een fascistische dictatuur in Italië en wanneer?

A

Benito Mussolini in 1922.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welk economisch probleem begon in 1929 en waar?

A

De economische crisis begon in de VS.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat was het gevolg van de economische crisis in Duitsland?

A

Veel werkloosheid en armoede, wat leidde tot stemmen op de NSDAP in 1932.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wie werd dictator van Duitsland in 1934?

A

Adolf Hitler.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat was de titel die Hitler zichzelf gaf toen hij dictator werd?

A

Führer.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waardoor werd Duitsland een nationaalsocialistische dictatuur?

A

Door terreur en indoctrinatie door de nazi’s.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wanneer begon de Tweede Wereldoorlog?

18
Q

Wat leidde tot de Tweede Wereldoorlog?

A

Hitler viel Polen binnen.

19
Q

Welke landen verklaarden oorlog aan Duitsland na de inval in Polen?

A

Groot-Brittannië en Frankrijk.

20
Q

Wat rechtvaardigde Hitler voor zijn daden?

A

De rassenleer.

21
Q

Wat gebeurde er met Joodse Duitsers vanaf 1933?

A

Ze werden steeds meer rechten ontnomen.

22
Q

Wat gebeurde er met Joden in de overheerste gebieden tijdens de Tweede Wereldoorlog?

A

Ze werden gedeporteerd naar vernietigingskampen en concentratiekampen.

23
Q

Welke landen viel Duitsland aan in 1940?

A

Nederland, België en Frankrijk.

24
Q

Wat markeerde een keerpunt in de Tweede Wereldoorlog in 1941?

A

De aanval op de Sovjet-Unie en de toetreding van de VS aan de geallieerden.

25
Q

Wanneer vond de landing in Normandië plaats?

A

Op 6 juni 1944.

26
Q

Wanneer capituleerde Duitsland?

A

Op 8 mei 1945.

27
Q

Wat veranderde er in Nederland tijdens de Duitse bezetting?

A

Vakbonden, omroepen en organisaties werden gelijkgeschakeld.

28
Q

Wat was een gevolg van de Nederlandse capitulatie op 15 mei 1940?

A

Strenge censuur en propaganda.

29
Q

Wat gebeurde er met mannen tijdens razzia’s in Nederland?

A

Ze werden naar Duitsland gestuurd om in fabrieken te werken.

30
Q

Wanneer begon de bevrijding van Zuid-Nederland?

A

In september 1944.

31
Q

Wanneer was heel Nederland bevrijd?

A

Op 5 mei 1945.

32
Q

Wat veroorzaakte de Hongerwinter van 1944/1945?

A

Veel leed in Nederland.

33
Q

Welke landen vormden een bondgenootschap met Japan in 1936?

A

Duitsland en Italië.

34
Q

Wat viel Japan aan in 1941?

A

Pearl Harbor.

35
Q

Wat was een gevolg van de aanval op Pearl Harbor?

A

Een grote oorlog in de Stille Oceaan.

36
Q

Wat gebeurde er in 1942 met Japan?

A

Japan veroverde een groot deel van Zuidoost-Azië.

37
Q

Wat was de oorzaak van veel lijden tijdens de Japanse bezetting?

A

Jappenkampen en het gebruik van vrouwen als seksslaven.

38
Q

Met welke wapens eindigde de oorlog tegen Japan?

A

Amerikaanse atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.

39
Q

Wanneer capituleerde Japan?

A

Op 15 augustus 1945.

40
Q

Welke Nederlandse koloniën waren betrokken tijdens de oorlog?

A

Vooral Nederlands-Indië.

41
Q

Wat gebeurde er met veel mensen in Nederlands-Indië tijdens de oorlog?

A

Ze leden onder Japanse bezetting.