Frans C6 C7 C8 Flashcards
Une caisse
Één kassa
Un choix
Één keuze
Une mode
Één mode
Un pantalon
Één broek
Le prix
De prijs
Un pull
Één trui
Les soldes
De solden
Un Vêtement
Één kledingstuk
Essayer
Proberen
Fermer
Sluiten
Court(e)
Kort
Fermé(e)
Gesloten
Gris(e)
Grijs
Long, longue
Lang
Mauve
Mauve
Ouvert(e)
Open
Perfait(e)
Perfect
Blanc, blanche
Wit
Bleu, bleue
Blauw
Brun, brune
Bruin
Vert, verte
Groen
Noire, noir
Zwart
Rose
Roze
Orange
Oranje
Jaune
Geel
C’est un pantalon moderne
Het is een moderne broek.
Le magasin est fermé
De winkel is gesloten.
Le magasin est ouvert
De winkel is open.
Allons-y.
Vooruit dan maar.
Pas du tout.
Helemaal niet.
Vois avez une couleur préférée ?
Hebt u een voorkeur voor een bepaalde kleur?
Il est à la mode.
Hij is in de mode.
Ces vêtements sont en solde.
Deze kledingstukken zijn in de uitverkoop
Vous voulez essayer le pantalon ?
Wilt u de broek passen?
Vous faites un bon choix.
U maakt een goede keuze.
Ce sont les plus beaux jours.
Het zijn de mooiste dagen.
Rien de plus agréable.
Niets is gezelliger.
Nous décorons le sapin de Noël.
We versieren de kerstboom.
Ma mère met les boules.
Mijn moeder hangt de ballen.
Elle ouvre les paquets.
Ze opent de pakjes.
Les surprises viennent après.
De verrassingen komen daarna.
Ce n’est pas toujours facile.
Het is niet altijd makkelijk.
Joyeux Noël !
Vrolijk kerstfeest
Bonne année.
Gelukkig Nieuwjaar.
Une année
Een jaar
Une boule
Een bol
Une boule de Noël.
Een kerstbal
Une bûche de Noël
Een kerststronk
Un chèque-cadeau
Een geschenkbon
Une fête
Een feest
Une fête de fin d’année
Een eindejaarsfeest
Une guirlande
Een slinger
Le jour de l’An
Nieuwjaarsdag
Noël
Kerstmis
Un paquet
Een pakje
Un repas
Een maaltijd
Le réveillon de Noël
Kerstavond
Le réveillon de jour de l’An
Oudejaarsavond
Le Saint-Nicolas
Het sinterklaasfeest
Un sapin de Noël
Een kerstboom
Une surprise
Een verrassing
Agréable
Gezellig
Quelques
Enkele
Décorer
Versieren
Mettre
Zetten, plaatsen, hangen
Ouvrir
Openen
En cela
Daarin
Que de monde !
Wat een volk!
Je viens tout de suite.
Ik kom onmiddellijk.
J’ai peur.
Ik ben bang.
J’ai soif.
Ik heb dorst.
Ce n’est pas dangereux.
Het is niet gevaarlijk.
Je suis fatigué.
Ik ben moe.
Je vais m’habiller.
Ik ga me aankleden.
Tu parles!
Jij hebt mooi spreken!
Tu m’attends?
Wacht je op mij?
Attendre
Wachten
Descendre
Afdalen, naar beneden komen.
S’habiller
Zich aankleden
Parler
Spreken
Sauter
Springen
Vendre
Verkopen
Voir
Zien
Avant
Vooraleer
Tout de suite
Onmiddellijk
Un bonnet
Een muts
Un café
Een cafe
Une douche
Een douche
Une glace
Een ijsje
Une sortie
Een uitgang
Un toboggan
Een reuzeglijbaan
Dangereux, dangereuse
Gevaarlijk
Fatigué (e)
Moe