Frans C5 Flashcards
L’argent
Het geld
L’argent de poche
Het zakgeld
Un bébé
Één baby
Une dame
Één dame
Un example
Één voorbeeld
Une idée
Één idee
La vaisselle
De afwas
Un week-end
Één weekend
Vieux, vieille
Oud
Quelque chose
Iets
Quelque’un
Iemand
Gagner
Verdienen
Garder
Passen op
Laver
Wassen
Marcher
Werken
Payer
Betalen
Répondre
Antwoorden
Tomber
Vallen
Trouver
Vinden
Assez
Genoeg
Parce que
Omdat
Souvent
Vaak
Ne…. Jamais
Nooit
Ne… Personne
Niemand
Ne… rien
Niets
Je t’appelle
Ik bel je op
Tu ne réponds jamais
Je antwoordt nooit
Il est tombé par terre
Hij is op de grond gevallen
Il ne marche plus
Hij werkt niet meer
Elle achète un nouveau portable
Ze koopt een nieuwe gsm
Je n’ai pas assez d’argent
Ik heb niet genoeg geld
Tu veux gagner de l’argent ?
Wil je geld verdienen?
Par exemple
Bijvoorbeeld
Je fais la vaiselle
Ik doe de afwas
Il lave ma voiture
Hij wast mijn auto
Je garde le bébé de la voisine
Ik pas op de baby van de buurvrouw.