engels 5 Flashcards
1
Q
strafstudie
A
detention
2
Q
keuzevakken
A
electives
3
Q
proefwerken
A
exams
4
Q
voortrekken
A
to favour
5
Q
schooluitstap
A
field trip
6
Q
punten geven
A
to grade
7
Q
waardecijfers
A
grades
8
Q
afstuderen
A
to graduate
9
Q
onderbreken
A
to interrupt
10
Q
iets leren
A
to learn something
11
Q
in een rij staan
A
to line up
12
Q
verplicht
A
mandatory
13
Q
opdweilen
A
to mop up
14
Q
punten
A
points
15
Q
onverwachte toets
A
pop quiz
16
Q
kotsen
A
to puke
17
Q
straffen
A
to punish
18
Q
luidop lezen
A
to read out loud
19
Q
het middageten
A
school lunch
20
Q
puntentotaal
A
score
21
Q
spijbelen
A
to skip class
22
Q
studeren
A
to study
23
Q
wet van de sterkste
A
survival of the fittest
24
Q
iemand iets aanleren
A
to teach someone something
25
Q
smsen
A
to text
26
Q
tijd verspillen
A
a time waster
27
Q
levenservaring
A
the university of life
28
Q
waardeloos
A
worthless