Chapter 6 Flashcards
allergisch
allergic
bang
afraid, scared
beschadigen
to damage
beterschap
get well
bloeden
to bleed
buikgriep
tummy flu
buikpijn
stomach ache
diagnose
diagnosis
dokter
medic, doctor
door
by
doorslikken
to swallow
dorst
thirst
dosering
dosage
dosis
dose
duim
thumb
duizelig
dizzy
eigenwijs
self-willed, obstinate
ernstig
severe
flauwvallen
to faint
fysiotherapeut
physical therapist
gemiddelde
average
geneesmiddel
medication
gezich
face
gezondheid
health
griep
flu
griepprik
influenza shot
halen
to fetch
hechten
to stitch
hieronder
below
hoesten
to cough
hoofdpijn
headache
huisarts
family doctor
in vergelijking
compared to
inademen
to breathe in
innemen
to take
inwoner
resident
jodium
iodine
keelpijn
sore throat
kies
molar
kin
chin
klacht
complaint, symptom
kleren uitdoen
to take clothes off
koorts
fever
last hebben van
to suffer from (a pain)
lever
liver
lip
lip
maal
times
medicijn
medicine, medication
meekrijgen
to get (someting) to take home
menstruatie
menstruation
meten
to measure
minimaal
minimum
misselijk
nauseous
nier
kidney
(verband) omdoen
to bandage
onderzoeken
to examine
onmiddellijk
immediately
ontsmetten
to disinfect
ontspannen
relaxed
ontsteking
inflammation
oog
eye
oor
ear
opereren
to operate
overbelast
overburdened
overgeven
to vomit
patiënt
patient
pil
pill
pleister
sticking plaster, bandaid
relatief
relatively
rillen
to shiver, to shudder
roeren
to stir
schadelijk
harmful
scoren
to score
snee
cut
spuitje
injection
stoten
to bump, to stumble
symptoom
symptom
tablet
tablet, pill
tandarts
dentist
uitademen
to breathe out
uiteen
apart
uitgave
expense
uitkleden
to undress
vaccinatie
vaccination
verband
bandage
verdoven
to anaesthetize, to sedate
verdoving
anaesthesia
vergelijken met
to compare to
verhoging hebben
to have a slight
verkouden
having a cold
verkoudheid
cold
verslaafd
addicted
vooroverbuigen
to bend over
voorzichtig
carefully
wang
cheek
wond
wound
zenuw
nerve
ziek
ill
zweten
to sweat