3 Flashcards
Een Noor, een Noorse
un(e) Norvégien(ne)
Een Portugees, een Portugese
un(e) Portugais(e)
Een Zweed, een Zweedse
un(e) Suédois(e)
Een Zwitser, een Zwitserse
un(e) Suisse
Een jood, een joodse
un Juif, une Juive
Een Vlaming, een Vlaamse
un(e) Flamand(e)
Een Waal, een Waalse
un(e) Wallon(ne)
Duits
Allemand
Amerikaans
Américain
Engels
Anglais
Oostenrijks
Autrichien
Belgisch
Belge
Canadees
Canadien
Deens
Danois
Spaans
Espagnol
Frans
Français
Grieks
Grec
Nederlands
Hollandais
Iers
Irlandais
Italiaans
Italien
Luxemburgs
Luxembourgeois
Noors
Norvégien
Portugees
Portugais
Zweeds
Suédois
Zwitsers
Suisse
Vlaams
Flamand
Waals
Wallon
Beroemd
célèbre
Een beroemde zanger
un chanteur célèbre
Bekend, gekend
connu, connue
Een bekende vrouw
une femme connue
Arm
pauvre
Zij zijn arm.
Ils sont pauvres.
Rijk
riche
Deze vrouw is rijk.
Cette femme est riche.
Wonen
habiter
Waar woon jij?
Tu habites où?
Logeren
loger
Morgen ga ik bij grootmoeder logeren.
Demain, je vais loger chez grand-mère.
Huren
louer
Zij huren dit huis.
Ils louent cette maison.
De tafel dekken
Mettre la table
Mag ik afruimen?
Je peux débarrasser (la table)?
(De tafel) afruimen
Débarrasser (la table)
Ik was niet graag af.
Je n’aime pas faire la vaisselle.
Afwassen, de afwas doen
Faire la vaisselle
Droog eerst de glazen af.
Essuie d’abord les verres.
(De borden) afdrogen
Essuyer (les assiettes)
Ik moet de bedden opmaken.
Je vais faire les lits.
De bedden opmaken
Faire les lits
Ik moet de badkamer nog schoonmaken.
Je dois encore nettoyer la salle de bains.
Schoonmaken, poetsen
Nettoyer
Er ligt nog vuil onder de tafel.
Il y a encore des saletés sous la table.
Je hebt de keuken niet goed geveegd.
Tu n’as pas bien balayé la cuisine.
Vegen, borstelen, opvegen
Balayer
Ik heb geen zin om mijn kamer op te ruimen.
Je n’ai pas envie de ranger ma chambre.
Opruimen
Ranger
Je moet de papiermand nog leegmaken.
Vide encore la corbeille à papier.
Iets leegmaken
Vider quelque chose
Leg je vuile was in de wasmachine.
Mets le linge sale sur la machine à laver.
De was doen
Faire la lessive
Wil je mijn jeans strijken?
Tu veux repasser mon jeans?
(De was) strijken
Repasser (le linge)
Ik heb geprobeerd om de vlek te verwijderen, maar ze gaat er niet uit.
J’ai essayé d’enlever cette tache, mais ça ne part pas.
Een vlek verwijderen
Enlever une tache
Ga jij de ruiten wassen? Het regent!
Tu vas laver les vitres? Il pleut!
De ruiten wassen
Laver les vitres
Ik maai het gras één keer per week.
Je tonds la pelouse une fois par semaine.
Het gras maaien
Tondre la pelouse
Een cassettespeler
Un lecteur de cassettes
Een (televisie)toestel
Un poste (de télévision)
Een stereoketen
Une chaîne hi-fi
Een walkman
Un baladeur
Een cassetterecorder
Un enregistreur de cassettes
Een cd-speler
Un lecteur de CD
Een televisie
Un téléviseur
Een afstandsbediening
Une télécommande
Een videorecorder
Un magnétoscope
Een diepvries
Un congélateur
Een afwasmachine
Un lave-vaisselle
Op de knop drukken
Appuyer sur un bouton
Een knop
Un bouton
Je moet eerst op de groene knop drukken.
Il faut d’abord appuyer sur le bouton vert.
Druk op de knop.
Appuie sur ce bouton.
De luxe
Le luxe
Luxe wat een!
Quel luxe!
Gezellig, het is geen grote luxe, maar het is!
Ce n’est pas le luxe, mais c’est sympa!
De wanorde
Le désordre
Je zou je kamer moeten opruimen, wat een wanorde!
Quel désordre! Tu devrais ranger ta chambre!
Uitgerust
Équipé
Een ingerichte keuken, ze hebben.
Ils ont une cuisine équipée.
Ruim
Spacieux
Niet erg ruim is die kamer.
Cette chambre n’est pas très spacieuse.
Eigen / Proper
Propre
Zijn eigen kamer heeft hij.
Il a sa propre chambre.
Proper tafellaken leg een op.
Mets une nappe propre.
In goede staat
En bon état
Nog in goede staat is dat huis.
Cette maison est encore en bon état.
Stromend water
L’eau courante
Stromend water is er?
Il y a l’eau courante?
Een gordijn
Un rideau
Een spot
Un spot
Een tapijt
Un tapis
Een luchter (kroon)
Un lustre
Het licht
La lumière
Het tapijt was
La moquette
Het behangselpapier
Le papier peint
Gebloemd behangselpapier nemen ik ga.
Je vais prendre du papier peint à fleurs.
Een open haard (in Wallonië)
Un feu ouvert (en Wallonie)
Een trede
Une marche
Een bel
Une sonnette
Geen bel er is, tiens. Kloppen je moet.
Tiens, il n’y a pas de sonnette. Il faut frapper.
Een mand, een korf
Un panier
Een kussen
Un coussin
Een poster
Un poster
Inrichten
Aménager
Hoe je kamer gaat inrichten, weet je al?
Tu sais déjà comment tu vas aménager ta chambre?
Versieren
Décorer
Die kamer versierd heeft wie?
Qui a décoré cette chambre?
Schilderen
Peindre
Wit de muren schilderen ik ga.
Je vais peindre les murs en blanc.
Opnieuw inrichten, herinrichten
Réaménager
Die winkel opnieuw inrichten ze zouden moeten.
Ils devraient réaménager ce magasin.
Vervangen
Remplacer
Moeten vervangen het was tapijt we zouden.
Il faudrait remplacer la moquette.
De uitgang
La sortie
Op je wachten aan de uitgang zal ik.
Je t’attendrai à la sortie.
De ingang
L’entrée
De ingang waar is?
Où se trouve l’entrée?