1 Circuit Rouge 🔴 Flashcards
het land (van herkomst)
le pays (d’origine)
de bestuurdersruimte
la cabine
de airco(nditioning)
la clim(atisation)
de levering
la livraison
moeilijk
difficile
moe
fatigué(e)
volgend
prochain(e)
overmorgen
après-demain
eergisteren
avant-hier
gelukkig
heureusement
opnieuw vertrekken
repartir
naar / in het buitenland
à l’étranger
dat is lang geleden
ça fait longtemps
dat is niet vanzelfsprekend
ce n’est pas évident
twee weken geleden
il y a deux semaines
zijn / haar vakantie doorbrengen
passer ses vacances
Wat een avontuur!
Quelle aventure!
Duitsland
l’Allemagne
Engeland
l’Angleterre
België
la Belgique
Brazilië
le Brésil
China
la Chine
Kroatië
La Croatie
Spanje
l’Espagne
de Verenigde Staten
Les États-Unis (m)
Frankrijk
la France
Griekenland
La Grèce
Italië
l’Italie
Luxemburg
le Luxembourg
Marokko
le Maroc
Nederland
les Pays-Bas
Polen
la Pologne
Portugal
le Portugal
Rusland
la Russie
Zweden
la Suède
Zwitserland
la Suisse
Turkije
la Turquie
de herfst
l’automne (m)
de zomer
l’été
de winter
l’hiver
de lente
le printemps
de woestijn
le désert
het meer
le lac
het landschap
la paysage
de rots
la rocher
de vulkaan
le volcan
het platteland
la campagne
de heuvel
la colline
de kust
la côte
het woud
la forêt
het eiland
l’île (f)
de zee
la mer
de berg
la montagne
de natuur
la nature
het strand
la plage
de wolk
le nuage
het onweer
l’orage (m)
de zon
le soleil
het weer
le temps
de wind
le vent
de sneeuw
la neige
de regen
la pluie
wisselvallig
variable
sneeuwen
neiger
regenen
pleuvoir
Het is warm.
Il fait chaud.
Het is koud.
Il fait froid
Het is mooi weer.
Il fait beau.
Het is slecht weer.
Il fait mauvais.
Het is 13 graden.
Il fait 13 degrés.
Het regent.
Il pleut.
Het sneeuwt.
Il gèle.
Er is wind. / Het waait.
Il y a du vent.
Er zijn wolken.
Il y a des nuages.
Er is zon.
Il y a du soleil.