Werkwoorden Flashcards
1
Q
Gehen
A
Gaan
2
Q
Stehen
A
Staan
3
Q
Sehen
A
Zien
4
Q
Fernsehen
A
Tv kijken
5
Q
Gucken
A
Kijken
6
Q
Anschauen
A
Bekijken
7
Q
Schrieben
A
Schrijven
8
Q
Laufen
A
Lopen
9
Q
Sitzen
A
Zitten
10
Q
Hören
A
Luisteren
11
Q
Zuhören
A
Naar iemand luisteren
12
Q
Schwimmen
A
Zwemmen
13
Q
Klettern
A
Klimmen
14
Q
Aufstehen
A
Opstaan
15
Q
Sich anziehen
A
Zich aankleden
16
Q
Sich waschen
A
Zich wassen
17
Q
Putzen
A
Schoonmaken
18
Q
Tun
A
Doen
19
Q
Machen
A
Doen
20
Q
Weinen
A
Huilen
21
Q
Einsteigen
A
Instappen
22
Q
Aussteigen
A
Uitstappen
23
Q
Schneiden
A
Knippen
24
Q
Öffnen
A
Openen
25
Q
Schließen
A
Sluiten
26
Q
(Um)tauschen
A
Ruilen
27
Q
Zeigen
A
Wijzen
28
Q
Erklären
A
Uitleggen
29
Q
Besuchen
A
Bezoeken
30
Q
Suchen
A
Zoeken