tussenstop Flashcards
1
1
Q
aanvatten
A
beginnen
2
Q
het beslag
A
bekleding, versiering
3
Q
binair
A
tweedelig
4
Q
branche
A
sector
5
Q
chronisch
A
aanhoudend
6
Q
complex
A
moeilijk
7
Q
het dakspant
A
balk van het dak
8
Q
desondanks
A
hoe dan ook
9
Q
distributeur
A
een bedrijf leider
10
Q
familiar
A
onder vrienden: famillie
11
Q
gelagzaal
A
zaal waar wordt gegeten en gedronken
12
Q
gender
A
iets wat met het geslacht te maken heeft
13
Q
gerelateerd
A
verbonden
14
Q
hierarchie
A
rangorde
15
Q
masterclass
A
groep voor gevorderde
16
Q
medium
A
overdrager van een boodschap
17
Q
mondig
A
in staat om voor je mening op te komen
18
Q
onherroepelijk
A
zonder mogelijke verandering
19
Q
sinister
A
eng
20
Q
tijdsbestek
A
21
Q
A