Thema 2 Flashcards
wat zin de organsiche stoffen waaruit wij bestaan
- Sachariden
- proteinen
nucleinezuren
lipiden
-
wat zijn de anorganische stoffen waaruit wij bestaan
-water
-mineralen
-gassen
vergelijk mensen met planten
- planten hebben meer suikers want dat is hun reservestof(zetmeel) Bij ons verbranden we onze suikers direct of vormen het om naar vetten om op te slaan. We hebben dus een vetreserve.
we hebben ook meer proteine dan planten want we hebben spieren en bewegen
wat zijn de vier meest voorkomende stoffen in ons lichaam
O H N C
waar bevindt water zich in ons lichaam
- intracellulair (cytosol)
- intercellulair (weefselvocht)
- bloedvaten
- spijsverteringskanaal
- nieren
- blaas
functie water in organismen
- belangerijk oplosmiddel
- zowel reagens als reactieproduct
-transportmiddel - warmteregelen
- smeer of glijmiddel tussen gewrichten
wat is functie Na+
- geleiding impulsen in zenuwen en spieren
-waterhuishouding - bevindt zich in extracellulaire vloeistof
functie K+
- bevindt zich in intercellulair vloeistof
- geleiding impulsen zenuwen en spieren
- waterhuishouding
functie Ca2+
- heel veel voorkomend
-in beefweesel - speelt rol bij spiercontracties, bloedstolling en synapsen van neurotransmitters
Fe2+
zit in ons lichaam als hemoglobine waar het een rol speelt bij zuurstoftransport
bij planten is deze ijzer nodig om chlorofyl aan te maken
beschrijf zuurstofgas
apolair dus slecht oplosbaar in water
wat gebeurt er met zuurstof in ons lichaam
2 procent is opgelost in bloedplasma maar de rest is vastgebonden aan hemoglobine zodat het makkelijk in het bloed getransport kan wordden, eenmaal bij zijn bestemming breekt het af van hemoglobine en vervult die zijn functi in de cel (celademhaling)
wat gebeurt er met zuurstof in ons lichaam
2 procent is opgelost in bloedplasma maar de rest is vastgebonden aan hemoglobine zodat het makkelijk in het bloed getransport kan wordden, eenmaal bij zijn bestemming breekt het af van hemoglobine en vervult die zijn functi in de cel (celademhaling)
wat gebeurt er met CO2 in ons lichaam
70 wordt gebruikt in een reactie om het ph van het bloed te regelen
23 procent bindt zich vast aan hemoglobine
7 lost op in bloedplasma
functie glucose
bouwsteen voor veel polysachariden en energiebron
wat is bouw glucose
6 ring met vierde C de OH GROEP NAAR BENEDEN
alpha en beta orientatie
C1 Oh groep n
alpha en beta orientatie
C1 Oh groep naar beneden is alpha en naar boven is beta
bouw fructose
5 ring
bouw galactose
zelde als glucose allen bij C4 OH groep naar boven
functie fructose
energiebron bij vruchten
galactose functie
energiebron bij melproducten
wat zijn isomeren
stoffen met dezelde samenstelling maar een verschillende structuur en eigensschappen
fructose en galactose kan in ons lichaam omgezet worden in glucose
Sacharose
disacharide van glucose en fructose het heeft een alpha 1 2 binding
lactose
bestaat uit glucuse en galactose Beta 1 4 binding
maltose
binding glucose en glucose alpha 1 4 binding
wordt gebruikt bij bierbereiding
wat is het verband tussen sacharose lactose en maltose
ze zijn isomeren
wat zijn polysachariden
zijn macromoleculen waar een groot aantal monoscachariden aaneengeschakeld zijn
zetmeel
bestaat uit amylose en vooral amylopectine
functie zetmeel
reservesuiker in plantencellen (energiebron)
amylosz
spiraalvormige keten van glucose
amylopectine
vertakte boomvormige keten van glucose eenheden
glycogeen
is een reservesuiker in dierlijke cellen bestaat uit veel vertakte glucose eenheden
cellulose
komt voor in celwanden van planten is heel sterk
het is opgebouwd uit parallelle onvertakte ketens van glucose
bestaat uit beta 1 4 bindingen
waarom is veel cellulose eten goed voor u darm
want je darmspieren moeten meer werk doen om het te proberen te verteren waardoor de darmspieren dikker worden en je geen constepatie krijgt
bouw fosfolipide
bestaat uit een glycerol molecule die aan ene kant twee lange vetzuren heeft ha,ge en aan de andere kant een fosfaatgroep
steroiden
bv cholosterol en geslachtshormonen
functies cholesterol buiten celmembraan
uitgangsstof voor aanmak van
vitamine D = stevige botten
galzouten (verteren vetten)
geslachtshomonen voor ontwikkeling geschalachtsorganen en kenmerken
wat geveurt als je te weinig cholesterol binnen krijgt
= anorexia
afname geslachtskenmerken
tryglyceriden
glycerolmolecull met 3 vetzuren (condensatiereactie)
functie tryglyceriden
opslag chemische energie
isolatie warm houden
bescherming organen
waterafstoting
wat is een polypeptideketen
is een keten van allemaal aminozuren en wanner opgerold een eiwit vormt
voorbeelden proteinen
binding en transport van gassen
intracellulaire tranport motereiwitten
hormonen
enzymen: reacties mogelijk maken
structuurelementen: keratine
voeding en opslag (ei en babymelk)
spiercontracties
bescherming (antistoffen
toxine
verband functie en vorm eiwit
als je bv door koorts(hitte) vorm va eiwit verliest verlies je ook defunctie
wat zijn nucleinezuren
macromoleculen waarin een groot aanral nucleotiden aan elkaar geschakeld zijn
bv dna en rna
A
adinine
T
thymine
C
cytosine
G
guanine
verschil DNA en RNA
DNA is dubbelstrengig en RNA enkelstrenig
dna hheft deoxyinbose en rna heeft ribose in de plaats
bij rna is thymine vervangen door uracyl
functie DNA
DNA slaat dus al jouw genetische informatie op en hierdoor is het ook mogelijk om deze informatie uiteindelijk weer door te geven aan de volgende generatie.
functie RNA
erfelijke info DNA kopieren en doorgeven om eiwitten te maken