Separate Verb Flashcards
to take along/with
meenemen
to cooperate
samenwerken
to leave
weggaan
to continue
doorgaan
to pick up
ophalen
to resolve
oplossen
to enter
binnenkomen
to make an appointment
afpreken
to offer
aanbieden
to enter
ingaan
to call up
opbellen
to close
dichtdoen
to open
opendoen
to live together
samenwonen
to hand in
inleveren
to do dishes
afwassen
to get in
instappen
to get off
uitstappen
to take away
wegbrengen
to cross
oversteken
to go dawn
afgaan
to come across sb/ walk into sb
tegenkomen
to continue
verdergaan
to pay
afrekenen
to finish up
afmaken
to graduate
afstuderen
to pass along
doorgeven
to pass by
langskomen
to bring with
meebrengen
to participate
meedoen
to give with
meegeven
to come along
meekomen
to watch with
meekijken
to put down
neerleggen
to put down
neerzetten
to handle
omgaan met
to write down
opschrijven
to file a report
aangifte doen
to say to
zeggen tegen
to wait for
wachten op
in love with
verliefd op
to look for
zoeken naar
to laugh about
lachen om
to think about
denken aan
on vacation
met vacantie
to prepare for
voorbereiden op
to take wrong, to hold against
kwalijk nemen
I beg your pardon
Neem me niet kwalijk
to sit down
plaats nemen
one can
vallen te
There is much one can say about that
Er valt veel daarover te zeggen
to turn out well (better than expected)
meevallen
Today’s weather is better than expected
Het valt vandaag mee met het weer
to turn out badly (worse than expected)
tegenvallen
The festival was a disappointment for us
het feest ins ons erg tegengevallen
to take place
plaatsvinden
ti took place yesterday
het heeft al gisteren plaatsgevonden
to look, to appear
er uit zien
to be a pity
jammer zijn
to have a brithday
jaring zijn
to have lost
kwijt zijn
I lost my keys
I ben my sleutels kwaijt
to be about to
op het punt zijn
to intend
van plan zijn
to be in order
voor elkaar zijn
to fit well
goed zitten