Psychopathalogie Flashcards

1
Q

Tot wat voor lichamelijke symptomen leiden depressieve stoornissen?

A
  • gewichtsverlies
  • moeheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Tot wat voor psychiatrische symptomen leidt hypothyreoïdie? en welke hyperthyreoïdie?

A
  • Hypo: depressiesymptomen
  • Hyper: angstsymptomen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat voor somatische ziekte is het gevolg van psychiatrische stoornis?

A

Hart- en vaataandoeningen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat zijn psychische functies?

A
  • wisselwerking tussen individu en omgeving
  • info opnemen uit omgeving met hersenen
  • info getoetst aan geheugen, motieven, emoties en vervolgens denken
  • vertaalt zich in psychomotoriek of gedrag –> weer invloed op omgeving
    (functies niet goed lokaliseerbaar in de hersenen maar gebonden aan neurale netwerken)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn neurologische functies?

A
  • zintuigelijke waarneming
  • reflexen
  • sensoriek
  • bewegingssturing
  • motoriek
    (goed lokaliseerbare functies van het centrale zenuwstelsel)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waar verwijst de term ziekte/morbus naar?

A
  • samenhangend inzicht van de aard van de symptomen
  • hun onderlinge verband (syndroom) in ontstaanswijze
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn de nosologische criteria voor een ziekte?

A
  • er is een pathofysiologisch proces dat leidt tot symptomen
  • de etiologie is bekend
  • beloop volgt een voorspelbaar patroon
  • er is een op inzicht gebaseerde behandeling
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

waarom spreekt met van psychiatrische stoornissen en niet ziekten?

A
  • omdat het syndroomdiagnosen zijn
  • de oorzaken zijn onvoldoende duidelijk
  • wel medicamenteuze behandelingen dus wel verklaring voor samenhand van symptomen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wanneer kan je over een psychiatrische stoornis spreken?

A
  • er moet sprake zijn van significante subjectieve lijdensdruk of beperkingen in het beroepsmatige functioneren
  • gaat gepaard met gedachten, gedragingen, gevoelens die buiten norm vallen
  • afkappunt tussen normaal en gestoord mede bepaald door door culturele factoren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Verschil psychiatrie en neurologie

A
  • psych: verhaal van de patient
  • neur: orgaanspecialisme
  • psychiater doet zijn onderzoek gelijktijdig met anamnese terwijl arts eerst anamnese en dan LO doet
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Etiopathogenetische factoren psychiatrie indeling:

A
  • predisponerende-: verhogen kwetsbaarheid individu, maar niet direct alleen verhoogd risico
  • luxerende: kunnen psychostoornis uitlokken of verergeren
  • onderhoudende-: factoren die belemmering en verwerking verstoren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Karl Jaspers over psychische gebeurtenissen: methodisch/epistemologisch dualisme

A
  • Psychische gebeurtenissen worden op een andere wijze waargenomen dan somatische verschijnselen
  • gemoedstoestand niet op zelfde manier waar te nemen als iemands haarkleur
  • in iemand verplaatsen vs niet
  • Verstehen (begrijpen) tegenover Erklaren (verklaren), motieven wel begrijpen maar niet verklaren: waarom/waardoor
    = methodisch/epistemologisch dualisme
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

materiewetenschappelijke vs betekeniswetenschappelijke benadering:

A
  • objectief, hersenstructuren, beeldvorming
    vs
  • subjectief, individu interpretatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

verschil illness en disease

A

disease is aantoonbaar ziekteproces en illness is ziektebeleving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

wat houdt speciële anamnese in?

A

anamnese naar geschiedenis psychiatrische stoornis
- status-mentalisonderzoek: vaststellen huidige psychiatrische toestand
- anamnese en onderzoek tegelijkertijd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

wat is de algemene psychiatrische anamnese?

A
  • ook wel de tractus-mentalis anamnese
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wanneer denken aan somatische oorzaak van psychiatrische stoornis?

A
  • 40 jaar en nooit eerder psychiatrische klachten gehad
  • patient heeft symptomen van een neurocognitieve stoornis
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat zijn de onderdelen van sociale anamnese?

A
  • eerste milieu: woonsituatie, fam, kinderen, sociale steun, partner
  • tweede milieu: werksituatie, studie
  • derde milieu: familierol, burgerrol, sociale rol (vrienden etc.)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

wat zijn de 3 hoofdgroepen van psychisch functioneren?

A
  • denken (cognitief)
  • voelen (affectief)
  • willen/gedrag (conatief)
    = trias psychica
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Obstretische complicaties

A

postpartum complicaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

cognitieve stoornissen met een lichamelijke oorzaak

A
  • organisch-psychiatrische ziekten
  • delirium, dementie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

psychotische stoornissen

A
  • onvermogen scheiden werkelijkheid van fantasie
  • geen ziektebesef
  • hallucinaties
  • apathie
  • bijv: schizofrenie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

stemmingsstoornissen

A
  • normale kwaliteit: angst, somber, drang, dwang
  • kwantiteit is abnormaal (ernst, duur)
  • depressie, angststoornis, ptst
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

ontwikkeling en persoonlijkheidsstoornissen

A
  • levenslang aanwezig
  • patroon van abnormale gedachten en gevoelens
  • problemen met alledaagse dingen: relatie, opleiding, werk
  • vb: autisme, antisociale persoonlijkheidsstoornis, psychopathie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

waar wordt lithium voor gebruikt?

A
  • stemmingsstabilisator
  • bipolaire stoornis
  • kan ook effectiviteit van antidepressiva verhogen bij unipolaire depressie
  • bij te hoge dosis toxisch, daarom belangrijk bloedspiegel controle
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

welke 2 niveaus van diagnostiek onderscheid de psychiatrie?

A
  • psychiatrische classificatie: descriptieve diagnose, neutrale beschrijving symptomen van patient
  • psychiatrische diagnose: toestand van de patient verklaren en begrijpen, omvat ook de mogelijke oorzaken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

wat zijn Executieve functies?

A

bestuursfuncties van de hersenen om bijv te plannen en problemen op te lossen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Wat houdt NGS in?

A
  • normoverschrijdende gedragsstoornis
  • ernstig normoverschrijdend gedrag zoals agressie, vernieling, bedrog, diefstal, schendig van regels
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

wat wordt bedoeld met kwantitatieve variaties bij het diagnosticeren van kinderen in de psychiatrie

A

Kwantitatieve variaties gaan in essentie over het meten van de intensiteit, frequentie en duur van symptomen die met een psychische stoornis verband houden. (en niet het aanwezig of afwezig zijn ervan)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

determinanten voor kinderpsychiatrie

A
  • kwetsbaarheid: vs resilience
  • omgevingsrisicofactoren: vs kansen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Wat houdt het ACE model in bij tweeling?

A
  • A: additieve genetische effecten
  • C: common, overeenkomstige gebeurtenissen
  • E: environment unique, gebeurtenissen die maar een van de tweeling heeft meegemaakt
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

wat is RMZ?

A

A+ C: dus de overeenstemming/ concordantie tussen de tweeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

wat is Rdz in ACE model?

A

In het ACE-model verwijst RDZ naar het overgebleven residu (de onverklaarde variatie) na het splitsen van de genetische en omgevingsinvloeden in een tweelingonderzoek. het gaat hierbij om 2 eiige tweelingen: dus rdz: 1/2A+C

34
Q

wat zijn correlaties met het DRD4 polymorfisme?

A
  • impulsiviteit
  • Gemiddeld aantal huwelijken van DRD4
    moeders was groter dan in niet-DRD4
    moeders
  • Risicomoeders induceren conflicten of kiezen
    instabiele partners waardoor een groter risico
    op echtscheiding
35
Q

Wat doet het MAO-A gen?

A
  • MAO-A gen codeert voor enzym dat in de
    hersenen verantwoordelijk is voor de afbraak
    van o.a. serotonine en dopamine
  • Te weinig van dit enzym resulteert in
    agressief en impulsief gedrag
  • MAO-A verminderde activiteit leidt tot agressie en verwaarlozing ook, dit samen zorgt voor nog grotere kans op agressie
36
Q

Hoe erft fragile X syndroom over>

A
  • mosaicism
  • X-linked
  • dus mannen hebben of het een of het ander met hun Y en vrouwen hebben met beide voorkomend het gemengd
37
Q

wat heeft FMR1 met fragiel X syndroom te maken?

A
  • FXS wordt veroorzaakt door een mutatie in het FMR1-gen, dat zich op het X-chromosoom bevindt.
  • Normaal gesproken bevat het FMR1-gen tussen de 5 en 44 herhalingen van de CGG-sequentie, maar bij mensen met fragiel X-syndroom is dit aantal vaak aanzienlijk groter
  • Meer dan 200 CGG-herhalingen leidt tot de methylatie van het gen, waardoor het FMR1-gen wordt uitgeschakeld en de productie van het FMRP-eiwit wordt verhinderd. Dit gebrek aan FMRP-eiwit heeft verstrekkende gevolgen voor de hersenfunctie, wat leidt tot de symptomen van het fragiele X-syndroom.
38
Q

welke psychiatrische stoornissen komen voor bij FXS?

A
  • autisme
  • adhd
  • angststoornissen
39
Q

Wanneer heb je een premutatie, mutatie of normaal aantal CGG repeats?

A
  • normaal <55
  • premut: 55-200
  • mut: >200
40
Q

Wat houdt Fragile X-associated tremor ataxia syndrome (FXTAS) in?

A
  • klinische presentaties: ataxie, dementie, anxiety, depressie, incontinentie en impotentie
41
Q

Wat houdt Fragile X-associated primary ovarian insufficienty in? (FXPOI)

A
  • irregulier of afwezige menstruatie voor leeftijd van 40
  • kan infertiliteit veroorzaken of fertiliteit verminderen
42
Q

Welke 3 subgroepen worden onderscheiden bij ADHD?

A
  • gecombineerde beeld
  • onoplettende, afwezige beeld
  • hyperactief-impulsieve beeld
43
Q

Wat zijn comobiditeiten die vaak bij ADHD voorkomen?

A
  • angst en depressie
  • NGS en OGS
  • stoornissen in ontwikkeling taal en motoriek
  • autisme spectrum stoornissen
  • tics
  • middelenmisbruik
  • slaapproblemen
44
Q

wat is er afwijkend aan de hersenen bij ADHD patiënten?

A
  • kleiner globaal hersenvolume (kleiner cerebellum, nucleus caudatus en orbitofrontale cortex)
  • cortexdikte neemt minder snel toe
45
Q

Wat is TSC, tubereuze sclerose complex?

A
  • goedaardige tumoren groeien in verschillende organen
  • kunnen leiden tot neurologische problemen, vaak epilepsie, autisme
  • mutatie in TSC1 en 2
  • autosomaal dominant
46
Q

wat is mind-blindness?

A
  • bij autisme
  • niet kunnen inleven in de ander
  • denken dat alles vanuit jouw perspectief bestaat
47
Q

Wat is mentalizing?

A
  • bij autisme
  • niet begrijpen waarom de ander zich zo voelt = theory of mind
48
Q

Hoe test je of iemand beschikt over de theory of mind?

A
  • sally-anne test
  • mentalizing
  • mind-blindness
  • goed IQ en taalontwikkeling hebben geen problemen met ToM tests
49
Q

wat gebeurt er met het hersenvolume, neuropathie en de DTI bij autisme?

A
  • hersenvolume is groter, witte en grijze stof
  • DTI: korte subcorticale banen goed ontwikkeld, lange afstandsbindingen minder
  • Neuropathie: problemen in synapsvorming, plasticiteit en connectiviteit in hersenen
50
Q

wat wordt er bij de anamnese bij autisme gebruikt? en de heteroanamnese?

A
  • Autism diagnostic observation schedule (ADOS)
  • heteroanamnese: ADI, 3DI
51
Q

wat is BAP (broader autism phenotype)?

A
  • verzameling subtiele gedragskenmerken en persoonlijkheidstrekken die lijken op die van autisme
  • vaak waargenomen bij familieleden van mensen met een autismespectrumstoornis (ASS), zoals ouders, broers of zussen
52
Q

waarom hogere mortaliteit bij ADHD?

A
  • impulsiviteit
  • middelengebruik
  • hogere kans suïcide
53
Q

welke neurotransmittersystemen spelen een belangrijke rol bij ADHD?

A
  • dopaminerge (tropa): tekort aan dopamine in prefrontale cortex
  • noradrenerge (neuri): hebben disbalans in noradrenerge activiteit
    hierdoor aandachts en concentratieproblemen
54
Q

Wat is er verstoord in de hersenen bij ADHD?

A
  • prefrontale cortex werkt niet meer goed samen met de andere hersengebieden
  • prefrontale cortex is verantwoordelijk voor de executieve functies
  • lage niveau van dopamine en noradrenaline in de synapsen zorgen ervoor dat signalen minder goed worden doorgegeven
  • behandeling richt zich op verbeteren van deze functie: stimulantia
55
Q

Hoe werken SSRI’s?

A
  • mensen met depressie hebben lage serotonine (5-HT) concentratie
  • selective serotonine re-uptake inhibitors
  • zorgen dat heropname van serotonine geremd worden
  • zorgen voor downregulatie van autoreceptoren (als er veel serotonine is geven zij door dat er minder afgegeven hoeft te worden) maar door constante hoge aanwezigheid serotonine –> downregulatie
  • zo meer serotonine in synapsspleet
  • uiteindelijk downregulatie postsynaptische receptoren waardoor balans (daarom duurt het 4 weken om te werken)
56
Q

wat is de enige aangetoond effectieve SSRI?

A

fluoxitine (prozac)

57
Q

Hoe werkt antipsychotica bij autisme of agressie?

A
  • blokt D2 receptor (dopamine)
  • D2 receptor zorgt presynaptisch voor dopamine afgifte regulatie
  • postsynaptisch als dopamine activiteit overdrager
  • zo minder dopamine activiteit in synapsspleet
58
Q

Wat zijn bijwerkingen van antipsychotica?

A
  • gewichtstoename
  • prolactine aanmaak (borstvorming mannen en menstruatie uitval)
  • Extrapyramidale symptomen (bewegingsstoornissen)
  • insulineregulatie, hoger risico op diabetes
59
Q

Wat is het effect van de blokkade door antipsychotica van 5HT2, M3 en H1?

A
  • 5HT2: gewichtstoename
  • M3: insuline regulatie
  • H1: gewichtstoename
60
Q

waarom hebben agrariers een hoger risico op zelfdoding?

A
  • geldstress, veranderende wetten, negatief imago= hoge druk
  • sociale isolatie
  • onverwachte gebeurtenissen: PTSS
  • vaker depressieve symptomen
61
Q

Waar staat TS voor?

A
  • tentamen suicidii
  • eerdere mislukte poging tot zelfdoding
62
Q

hoe ontstaan gedachten tot zelfdoding?

A
  • genetische factoren
  • sociale factoren
  • biologische factoren
  • psychologische factoren
    (wisselwerking hiertussen)
63
Q

wat is Neuroticisme?

A

Neiging tot emotionele instabiliteit (angstig, prikkelbaar enz)
- kwetsbaarheids factor voor zelfdoding

64
Q

hoe werkt monitoring bij suïcide?

A
  • met SIDAS
  • screening tijdens behandeling
  • Follow-up van ernst en beloop van suicidaliteit tijdens behandeling
65
Q

wat is het verschil tussen sporadisch en non-heriditary?

A

-non-hereditary betekent dat een ziekte of aandoening niet erfelijk is
- De term sporadisch verwijst naar gevallen van een ziekte die ongewoon of zeldzaam zijn en geen bekende familiegeschiedenis hebben. maar niet per se volledig non-hereditary zijn.

66
Q

Wat zijn de voordelen van iPS (induceer pluripotent stamcellen) cellen?

A
  • minder proefdieren nodig
  • geen embryo’s nodig
67
Q

Hoe worden iPS cellen verkregen?

A
  • urine, bloed of huidbioptie
  • cellen worden vergroot
  • cellen worden geïnfecteerd met plasmiden die transcriptiefactoren herprogrammeren (stamcelgenen aan en differentiatie genen uit)
68
Q

Hoe ontstaat schizofrenie familiair?

A
  • CSPG4 missense mutatie= membraaneiwit van OPC’s
  • OPC’s zijn voorlopercellen van oligodendrocyten
  • zijn essentieel voor myelinisatie
  • verstoorde signaal overdracht kan bijdragen aan schizofrenie
69
Q

Wat is het verschil tussen NHEJ en HDR?

A
  • NHEJ: niet homologe end joining, zonder template streng DNA aan elkaar geplakt, kans op inserties en deleties
  • HDR: homology directed repair: Met template streng DNA hersteld met mogelijk correctie of mutatie
70
Q

wat wil Empowerment zeggen in de sociale psychiatrie?

A

Empowerment is dus een krachtig concept in de sociale psychiatrie omdat het mensen helpt om hun leven opnieuw vorm te geven, met nadruk op eigen verantwoordelijkheid, keuze en participatie.

71
Q

Wat is sociale psychiatrie?

A
  • ‘de sociale psychiatrie houdt zich bezig met de
    wisselwerking tussen psychiatrie en
    samenleving’
  • ‘de psychiatrie buiten de muren’
72
Q

Wat houdt de motivatie paradox in?

A

normaal/klassiek: symptomen worden erger, stress, motivatie omhoog
- maar motivatie paradox: symptomen worden erger, minder ziektebesef, minder motivatie

73
Q

Hoe worden bemoeizorg, drang en dwang gedefinieerd?

A
  • bemoeizorg: motiveren en verleiden
  • drang: keuzevrijheid belemmerd
  • dwang: geen alternatieven meer
74
Q

Wat houdt bemoeizorg in?

A
  • Patienten met psychiatrische stoornissen (psychotisch of bipolair) die niet zelf om behandeling vragen
  • komt door ziekte
75
Q

wat is Assertive Community Treatment

A
  • integrale bemoeizorg
  • zorgmodel die gericht zijn op het bieden van intensieve, geïntegreerde en cliëntgerichte zorg aan mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen. Ze hebben als doel om cliënten zo zelfstandig mogelijk te laten functioneren in de maatschappij en crises te voorkomen.
76
Q

wat houdt drang in?

A
  • keuzevrijheid toenemend belemmeren
  • bijv: uitkering of huis na deelname behandeling, strafvermindering, zorgmachtiging
  • effecten grotendeels onbekend
  • maar tegenstrijdige resultaten met hogere kans op terugval of heropname
77
Q

Wat houdt dwang in?

A
  • juridisch traject
  • acuut gevaar voor zichzelf of anderen
  • patient wil niet meewerken
  • patient is 12 jaar of ouder
  • geen alternatieve oplossing meer denkbaar
  • ernstige psychiatrische aandoening
  • spoed; crisismaatregel
  • geen spoed; zorgmachtiging
78
Q

Wat zijn de 5 wettelijke criteria voor dwang?

A
  • patient is ernstig gevaar voor zichzelf of anderen
  • patient is niet bereid om mee te werken
  • oorzaak is ernstige psychiatrische aandoening
  • er is geen alternatieve oplossing meer denkbaar
  • patient is 12 jaar of ouder
79
Q

waarom neemt het aantal dwangopnames toe?

A
  • patient oorzaken: meer vluchtelingen, vergrijzing
  • zorg oorzaken: meer verwarde personen door bezuiniging, en meer bemoeizorg
  • meer registratie
  • meer parens patriae tegenover het recht op autonomie
80
Q

wat houdt het ‘parens patriae’ principe in?

A
  • “de staat als ouder”
  • verantwoordelijkheid van de overheid om op te treden als beschermheer van degenen die niet in staat zijn om voor zichzelf te zorgen, zoals minderjarigen, personen met een verstandelijke beperking, of mensen met ernstige psychische aandoeningen.