Over Mobiliteit P8 A 22,24 Flashcards
1
Q
Le moyen de transport
A
Het vervoermiddel (-en)
2
Q
D’une part
A
Enerzijds
3
Q
D’autre part
A
Anderzijds
4
Q
Par beau temps
A
Bij Mooi Weer
5
Q
Être dans les embouteillages
A
In de file Staan
6
Q
Conduire , transporter
A
Brengen
7
Q
Transports publics
A
Openbaar vervoer
8
Q
Arriver
A
Geraken
9
Q
Voler
A
Stelen
10
Q
Le déplacement
A
Het verplaatsing(en)
11
Q
En montée
A
Bergop
12
Q
En descente
A
Bergaf
13
Q
Vallonné
A
Heuvelachtig
14
Q
Le trottoir
A
De stoep
15
Q
Le casque
A
De helm
16
Q
Le passage pour piéton
A
Het zebrapad
17
Q
L’agglomération
A
De bebouwde kom
18
Q
Le conducteur
A
De bestuurder
19
Q
L usager faible
A
De zwakke weggebruiker
20
Q
Le permis de conduire
A
Het rijbewijs
21
Q
Le surveillant mandaté
A
De gemachtigde opzichter
22
Q
La vitesse autorisée
A
De toegelaten snelheid