Maanden / Dagen / Seizoenen / Tijdzinnen Flashcards
Maanden / Dagen / Seizoenen / Tijdzinnen
1
Q
1 January
A
januari
2
Q
2 February
A
februari
3
Q
3 March
A
maart
4
Q
4 april
A
april
5
Q
5 May
A
mei
6
Q
6 June
A
juni
7
Q
7 July
A
juli
8
Q
8 August
A
augustus
9
Q
9 september
A
september
10
Q
10 October
A
oktober
11
Q
11 november
A
november
12
Q
12 december
A
december
13
Q
13 Monday
A
maandag
14
Q
14 Tuesday
A
dinsdag
15
Q
15 Wednesday
A
woensdag
16
Q
16 Thursday
A
donderdag
17
Q
17 Friday
A
vrijdag
18
Q
18 Saturday
A
zaterdag
19
Q
19 Sunday
A
zondag
20
Q
20 spring
A
de lente
21
Q
21 summer
A
de zomer
22
Q
22 autumn
A
de herfst
23
Q
23 winter
A
de winter
24
Q
24 day
A
de dag
25
Q
25 night
A
de nacht
26
Q
26 week
A
de week
27
Q
27 month
A
de maand
28
Q
28 year
A
het jaar
29
Q
29 day before yesterday
A
eergisteren
30
Q
30 yesterday
A
gisteren
31
Q
31 today
A
vandaag
32
Q
32 tomorrow
A
morgen
33
Q
33 day after tomorrow
A
overmorgen
34
Q
34 morning
A
de ochtend
35
Q
35 afternoon
A
de middag
36
Q
36 evening
A
de avond