Level 1 Flashcards
you (singular)
jij/je
he
hij
she
zij/ze
it
het
we
wij/we
you (plural)
jullie
they
zij/ze
my
mijn
your (singular)
jouw
his
zijn
hers
haar
its
zijn
our
ons/onze
your (plural)
jullie
their
hun
1
één
2
twee
3
drie
4
vier
5
vijf
6
zes
7
zeven
8
acht
9
negen
10
tien
Red
rood
Blue
blauw
Green
groen
Yellow
geel
Black
zwart
White
wit
Orange
oranje
Purple
paars
Brown
bruin
Gray/Grey
grijs
Father
vader
Mother
moeder
Brother
broer
Sister
zus
Son
zoon
Daughter
dochter
Grandfather
grootvader
Grandmother
grootmoeder
Uncle
oom
Aunt
tante
Nephew
neef
Niece
nicht
Dog
hond
Cat
kat
Bird
vogel
Fish
vis
Horse
paard
Cow
koe
Sheep
schaap
Pig
varken
Rabbit
konijn
Chicken
kip
Bread
brood
Cheese
kaas
Milk
melk
Meat
vlees
Fish
vis
Fruit
fruit
Vegetable
groente
Egg
ei
Rice
rijst
Soup
soep
Cada (each)
Elk
Traje
Pak
Rosado
Roze
Color
Kleur
Sombrero
Hoed
Araña
Spin
Oscuro
Donker
Bandera
Vlag
Ropa
Kleren
Colorido
Kleurrijke
Todo
Alles
Abrigo
Jas
Pantalones
Broek
Vestido
Jurk
Caro
Duur
Todo el mundo
Iedereen
Bolso
Tas
Alguien (someone)
Iemand
Unico (only)
Enige
Sobre (on)
Op
Sweater
Trui
Hacia, en direccion
Naar
Familia
Gezin
Para (para ti)
Voor
De (from)
Uit
Con with
Met or Bij
Con with
Met
Al lado besides
Naast
Por
Voor
Despues
Na
Recibir
Krijgt
Entre among
Tussen
Desayuno
Onbijt
Encima
Aan
Sobre about
Over or Op
Debajo
Onder
Algo
Iets
A traves
Door
Detras behind
Achter
Contra
Tegen
Sin without
Zonder
Porque
Vanwege, omdat, doordat
Durante
Tijdens
Despues
Na
Con
Voor or Bij or Met
De from
Uit
Mesa
Tafle
Ir
Gaat
Ligero
Lichte
Calmada
Rustij
Señor
Meneer
Señora
Mevrouw
Señora
Mevrouw
Vacio
Leeg
Malo
Slecht
Como like
Zoal
Limpio
Schone
Camisa
Hemde
Your
Uw
Quien
Wie
Donde
Waar
Como how
Hoe
Por que
Waarom
Cual which
Welke
Tarde afternoon
Middag
Cuando
Wanneer
Whose
Wiens
Cuanto
Hoeveel
Pregunta
Vraag
Respuesta
Antwoord
Preguntar
Stel
Dificil
Moeilijke
Mucho
Veel
Stand
Sta
Trabajar
Werk
Decir
Zeggen
Pensar
Denk
Pensar en
Denk aan
Aprender
Leer
Llamarse
Heet
Convertirse
Wordt
Tomar
Neem
Saber
Weten
Comprar
Koop
Usar
Gebruiken
Necesitar, te necesito
Ik heb je nodig
Poco
Weinig
Necesitar
Nodig hebben
To bike
Fiet
Llover
Regen
Permanecer
Bliven
Buscar
Zoek
Gustar
Leuk vinden - ik bind dit boek leuk
Amar
Houdt
Algo (some)
Wat
Love
Houde van
Quedarse
Blijven
Encontrar
Vinden
Lentes
Bril
Mas
Meer , nog vat
Mas
Meer
Mas que / more than
Meer dan
Menos
Minder
Tercer
Derde
Segundo
Twede
Primer
Eerste
Cuarto fourth
Vierde
Cuarto fourth
Vierde
Ultimo
Laatste
Numero
Nummer
Cero
Nul
Cantidad
Hoeveelheid
Too demasiado
Te
Ahi there
Daar
Entonces, therefore
Dus, dan
A vecee, sometimes
Soms
Sin embargo
Hoewel
A menos
Tenzij
Si, if
Als
Mientras
Terwijl
Hasta until
Totdat, tot
Para que, so that
Zodat
Tan pronto como, as soon as
Zodra
Antes
Voordat
Ambos
Zowel (+als como)
A menos
Tensij
Cuando
Waneer
Lo siento, I’m sorry
Het spijt me
Te amo
Ik hou van je
A que hora
Hoe lat
En todos lados everywhere
Overall
Siempre
Altjid
Nunca
Noid
Solo only
Bijna
Juntos
Samen
Frequentemente
Vaak
Pocos few
Weinig
Desde since
Sinds
Encima
Boven
Mas tarde, later
Stracks
Entonces, so
Zo
Mio
van mij
Tuyo
van jou
Nuestro
van ons
Suyo (theirs)
van hen
Suyo (his)
Van hem
Suyo (hers)
Van haar
Vuestro
Van jou o Van jullie (mas formal)
Barato
Goedkope
Barato
Goedkope