Lesson 3: Professions Flashcards
to be
zijn
the teacher (male, female)
de leraar (de lerares)
happy
blij
fun, enjoyable
leuk
pretty
mooi
old
oud
young
jong
the football player
de voetballer
the prime minister
de premier
the student
de student
the scholar
de leerling
the boss
de baas
the baker
de bakker
the butcher
de slager
the farmer
de boer
the fisherman
de visser
the lawyer
de advocaat
the doctor
de dokter
the waiter
de ober
the police officer
de politieman, de agent
the hairdresser
de kapper
the (company, NOT film) director
de directeur
the accountant (bookkeeper, book holder)
de boekhouder
the salesman
de verkoper
I am, you (familiar) are, you (formal) are, he/she/it is
ik ben, jij bent, u bent, hij/zij is
we are, you (familiar plural) are, you (formal plural) are, they are
wij zijn, jullie zijn, u zijn, zij zijn