Les 1 - Como vai Flashcards
een persoon, iemand
uma pessoa
heel goed
muito bem
luistert u eens
olhe
Wilt u niet een kopje koffie?
Não quer um café?
prima, het is goed
está bem
alstublieft
por favor
dus, nou
então
nietwaar?
não é?
nog, nog steeds
ainda
het adres
a morada
nu
agora
weten
saber
worden
ser
hebben
ter
de kat
o gato
geweldig
óptimo
vriendelijk
simpático
slot, einde
o fim
tuin
o jardim
dus
tão
zo
assim
geluid
o som
ik ben
(eu) sou
je bent
(tu) és
hij is
(ele/ela/você) é
wij zijn
(nós) somos
jullie zijn
(vós) sois
zij zijn
(eles/elas/vocês) são
ik heb
tenho
je hebt
tens
hij heeft
tem
wij hebben
temos
jullie hebben
tendes
zij hebben
têm
ik weet
sei
je weet
sabes
hij weet
sabe
wij weten
sabemos
jullie weten
sabeis
zij weten
sabem
ik wil
quero
je wilt
queres
hij wil
quer
wij willen
queremos
jullie willen
quereis
zij willen
querem
tot
até
morgen
amanhã