Kennislijn A Flashcards

1
Q

Autonoom mensbeeld

A

Mens wat vrijheid wil en eigen beslissingen wilt maken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Ergste bedreiging van een autonoom mensbeeld

A

Dictator/overheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Gevolg wanneer een autonoom mens een fout maakt?

A

Eigen verantwoordelijkheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Zorgend mensbeeld

A

Mens wat samen in verbinding is met andere mensen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Ergste bedreiging van een zorgend mensbeeld?

A

Eenzaamheid en verlating.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Gevolg wanneer een zorgend mens een fout maakt?

A

Niet verantwoordelijk > door ook andere hun mening keus gemaakt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Mensbeeld vanuit Hobbes

A

Mens is slecht door zijn ervaringen. Wetten en regels nodig voor de mens

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat gebeurd er met je vrijheid vanuit het mensbeeld van Hobbes?

A

Vrijheid afgeven. Je krijgt er veiligheid voor terug

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Mensbeeld vanuit Rousseau

A

Mens is goed maar werd slecht doordat het ene mens veel bezit maar de ander niet. Regels voor algemene wil

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat gebeurd er met je vrijheid vanuit het mensbeeld vanuit Rousseau?

A

Vrijheid houden. Vertrouwen hebben in de mensheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Recht

A

Een verzamelnaam voor alle regels die er bestaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke verschillende (7) Rechten zijn er

A

Burgerlijk recht, Strafrecht, Internationaal recht, Staatsrecht, Bestuursrecht, Dwingend recht, Regelend recht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Burgerlijk recht

A

Tussen burgers (Erfrecht)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Strafrecht

A

OM/Samenleving vs de burger

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Internationaal recht

A

Wetgeving tussen landen (EU)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Staatsrecht

A

Over het bestuur van een land.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Bestuursrecht

A

Overheid ondersteund burger

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Dwingend recht

A

Wettelijke bepalingen die je niet kan afwijzen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Regelend recht

A

Recht waarvan afgeweken kan worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Filosofie

A

Nadenken over grote levensvragen om kennis en wijsheid te vinden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Sociologie

A

Onderzoeken hoe mensen samenleven en hoe samenlevingen functioneren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Spanningsvelden in het sociaal werk

A

Tegenstrijdige krachten of dilemma’s waarmee sociaal werkers te maken hebben.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Welke spanningsvelden in het sociaal werk zijn er

A

Eenheid, Individueel, Collectief, Autonoom, Maatschappelijke, speelbal, Betaald, Vrijwillig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Medisch model

A

Iemand die ziek is opsluiten, niet meer in de samenleving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Ontwikkelingsmodel

A

Iemand kan zichzelf ontwikkelen. Trainen tot de persoon weer wat kan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Burgerschapsmodel

A

Bij de samenleving voegen met normale mensen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

Interactioneel model

A

Relaties en emoties aan kunnen gaan/trainen tot dat kan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

Nachtwakersstaat 1850-1900

A

De overheid deed weinig voor burgers, ziektes brachten de sociale kwestie en daardoor kwam de opkomst van sociale wetten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

Verzuiling 1880

A

Opdeling maatschappij op grond van geloof en/of maatschappelijke opvattingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

Ontzuiling

A

Mensen minder lid van religie/politieke overtuigingen/andere gedeelde waarden-groepen. Mens meer met elkaar omgaan/samenwerken (Ongeacht achtergrond)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

Secularisering

A

Invloed van kerk neemt af; Individuele keuze geloof
(Geloof niet 100% weg)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

Verzorgingsstaat 1945-2013

A

Overheid zorgt voor burgers. Wase duur, burgers leunen te veel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
33
Q

Participatiesamenleving 2013-heden

A

Meedoen, betaald werk,Verzekeringen zelf betalen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
34
Q

Paradigma

A

Manier van denken/kijken naar iets in een bepaalde tijd, ten aanzien van een bepaald onderwerp.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
35
Q

Paradigmashift

A

Grote verandering in manier waarop mensen iets begrijpen/aanpakken/behandelen. Van oude manier naar nieuwe manier van denken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Ontwikkelingsparadigma (+ model + maatschappelijke houding?)

A

Ontwikkelingsmodel= Hoe kunnen we een beperkt iemand laten groeien/leren; Helpen vaardigheden ontwikkelen. Mens met mogelijkheden/Speciale voorzieningen in samenleving
Maatschappelijke houding= Normalisatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

Defectparadigma (+ model + maatschappelijke houding?)

A

Medisch model= Beperkt iemand> oplossen van medische problemen; niet terug samenleving.
Patiënt, Verzorgen/behandelen, Instituut.
Maatschappelijke houding= Segregatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
36
Q

WGBO (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst)

A

Geneeskundige: Zorgverleners in de zorg
Behandelings :Medische zorg die onder deze wet valt
Overeenkomst :Afspraken tussen zorgverlener en cliënt over de behandeling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
37
Q

Burgerschapsparadigma (+ model + maatschappelijke houding?)

A

Burgerschapsmodel= Praktische manier van kijken hoe een beperkt iemand hun rol als burger vervullen. Hoe gaan zij actief deelnemen/bijdragen aan gemeenschap.
Mens in de gemeenschap
Maatschappelijke houding= Inclusie

38
Q

Goed hulpverlener schap

A

Goed handelen/Goede communicatie. Cliënt staat centraal
Hulpverlener ondersteunt hun op manier die cliënt helpt doelen te bereiken/problemen op te lossen.

38
Q

Normatieve professionaliteit

A

Als hulpverlener nadenken over wat goed is, rekening houdend met normen en waarden. Je volgt niet alleen regels maar maakt ook keuzes die belangrijk zijn voor cliënt/samenleving

39
Q

Technisch-instrumentele professionaliteit

A

Kijken welke instrumenten/manieren je gaat gebruiken om te helpen.

40
Q

Persoonlijke professionaliteit

A

Jezelf leren kennen; Wat zijn mijn triggers/Weten welke soort hulp/doelgroep jij aankan.

41
Q

Beroepsgroep

A

Groep mensen die hetzelfde soort werk doen.

42
Q

Beroepscode

A

Regels die door de beroepsgroep is opgesteld om te zorgen dat sociaal werkers goed en professioneel werken, met respect voor de normen en waarden van de beroepsgroep.

42
Q

Tripelmandat

A

Manier om verschillende verantwoordelijkheden in balans te houden.
1. Je volgt de beroepscode regels
2. Werken volgens de regels van de overheid, die zorgen voor het welzijn van de samenleving/rechten van mensen.
3. Via gesprekken met cliënt te weten komen wat je mag/kan doen voor cliënt.

43
Q

Beroepsregistratie

A

Het officieel inschrijven van professionals in een register om te bevestigen dat ze geschikt zijn om hun beroep uit te oefenen.

44
Q

Mandaat

A

De manier waarop je een taak moet uitvoeren, volgens regels die in de beroepscode staan.

45
Q

Maatschappelijke opdracht

A

Taak die je krijgt van de overheid/samenleving en gaat uitvoeren. Het is je eigen verantwoordelijkheid.

46
Q

Tuchtrecht

A

Systeem dat zorgt dat professionals zich aan de regels houden en straffen toepast als dat niet gebeurt.

47
Q

Tuchtcommissie (Bestaat uit)

A
  1. Beroepsgenoten
  2. Jurist
  3. Ethicus
48
Q

Tuchtcommissie

A

Zorgt ervoor dat sociaal werkers zich aan de regels houden. Als ze dat niet doen, kunnen ze gestraft worden, bijvoorbeeld door niet meer met bepaalde groepen te werken.

48
Q

Professionele autonomie

A

Jij kan je werk goed; Ook kunnen zeggen als je iets moet doen wat je niet wilt.

49
Q

Etisch dilemma

A

Waarde 1 en 2 tegen elkaar; Wat is nou het belangrijkste?
Moet ik schreeuwen/Wel vertellen? Of niet?
(Uitzondering op norm)

50
Q

Rechtvaardigheid

A

Streven naar eerlijkheid en gelijke behandeling voor iedereen.

51
Q

Autonomie (Kant)

A

Durf te denken (voor jezelf) Vrij mens; Eigen verantwoordelijkheid

52
Q

Verschilprincipe (Rawls)

A

Verschil maken is alleen rechtvaardig als het in ten goede komt van de minst bedeelde.

53
Q

Sluier van onwetendheid (Rawls)

A

Denken vanuit een situatie waarin je niet weet welke positie je hebt, zodat je regels bedenkt die eerlijk zijn voor iedereen.
Doel is bepalen wat rechtvaardig is zonder dat je je eigen belang meeneemt

53
Q

Algemene en bijzondere rechtvaardigheid (Aristoteles)

A

Houden aan wetten
-Eng(e zin) = Wetten volgen die door de overheid zijn gemaakt, gebaseerd op mensenrechten.
>Ruim(e zin) = Het volgen van morele regels die niet altijd officieel in wetten staan, maar die belangrijk zijn voor wat goed en fout is.

54
Q

10 Vermogensbenaderingen (Nussbaum)

A

Wanneer 1 vermogen niet oke is, heb je geen rechtvaardig leven.
1. Leven= Vermogen om normaal/lang leven te hebben
2. Lichamelijke Gezondheid= Toegang tot goede gezondheid
3. Lichamelijke Onschendbaarheid= Vrij van geweld/bewegingsvrijheid hebben.
4. Zintuigelijke Waarneming= verbeelding/zintuigen/onderwijs
5. Emoties= Gehecht raken aan mensen/dingen/liefde
6. Praktische Reden= Eigen visie ontwikkelen over het leven
7. Sociale Banden= Met andere leven/omgaan/respecteren
8. Overige Levende Wezens= In harmonie leven met dieren/planten/natuur.
9. Spel>=Lachen/spelen
10. Controle Eigen Omgeving= Politieke participatie/zeggenschap over bezittingen

55
Q

Positieve gezondheid (Huber)

A

Gezondheid is niet alleen het afwezig zijn van ziekte, maar het vermogen om om te gaan met fysieke, emotionele en sociale uitdagingen, en zelf de regie te houden. Het is iets waar iedereen aan bijdraagt, niet alleen zorgprofessionals.

56
Q

Categorisch imperatief (Kant)

A

Mensen behandelen waarbij je denkt ‘Dit is een Universele wet’

57
Q

Betekeniseconomie

A

Geld verdienen door maatschappelijke meerwaarde te creëren, niet meer door alleen maar winst.

57
Q

Sociaal contract (Locke)

A

Mens is vrij en verantwoordelijk voor het beschermen van zijn eigen rechten en die van anderen.

58
Q

WGBO (Afkorting)

A

Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst

59
Q

Recht op informatie (WGBO)

A

Cliënt heeft recht op duidelijke uitleg over zijn gezondheid en behandelingen zodat hij goed geïnformeerde keuzes kan maken

59
Q

Recht op toestemming (WGBO)

A

Behandelingen mogen alleen worden uitgevoerd als de cliënt daarvoor toestemming heeft gegeven

60
Q

Dossiervorming (WGBO)

A

Dossier alleen over cliënt, mag niet bij derden terecht komen.

60
Q

Second opinion (WGBO)

A

Andere deskundige om een tweede mening te vragen over zijn situatie of behandeling

61
Q

Recht op privacy (WGBO)

A

Cliënt heeft recht op bescherming van zijn persoonlijke gegevens. Hulpverleners hebben beroepsgeheim

62
Q

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) 1948

A

Afspraak tussen landen van de Verenigde Naties over basisrechten voor iedereen

62
Q

UVRM (Afkorting)

A

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

63
Q

EVRM (Afkorting)

A

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens

64
Q

Europees Verdrag voor Rechten van de Mens (EVRM)

A

Afspraak tussen Europese landen.
Het zorgt ervoor dat mensen belangrijke rechten hebben, Rechten zoals: Recht op leven, recht op vrijheid en veiligheid en recht op privacy/gezinsleven.

65
Q

Cultuurcompetent

A

Effectief om kunnen gaan met mensen uit verschillende culturen en deze begrijpen/respecteren.

65
Q

Zelfbeschikkingsrecht (EVRM)

A

Onderdeel van EVRM. Mensen mogen zelf beslissen over hun leven/lichaam. Staat ook in grondrechten.

65
Q

Recht op zelfbeschikking

A

Zelfbepaling over je leven en lichaam

66
Q

Recht op zelfbehoud

A

Het recht om voor jezelf te zorgen en te overleven.

66
Q

Diversiteit

A

De verschillen tussen mensen zoals: Afkomst, cultuur of geloof

67
Q

Superdiversiteit

A

Een samenleving. Niet 1 hoofd cultuur, maar veel culturen en achtergronden die naast elkaar bestaan.

67
Q

Identiteit

A

Wie je bent als persoon.

68
Q

Culturele identiteit

A

Gevoel van verbondenheid met een bepaalde cultuur/groep, door gedeelde waarden/tradities/gewoonten

68
Q

Socialisatie

A

Proces waarin je leert wat normaal/belangrijk is in jouw cultuur/samenleving

69
Q

Sociaal-ecologisch model (Bronfenbrenner)

A

Je leven wordt beïnvloed door verschillende lagen van je omgeving, van je familie tot de bredere maatschappij.

70
Q

Cultuur

A

De gedeelde waarden, normen, tradities, gewoonten, overtuigingen van een groep mensen

71
Q

Individualistische cultuur (Kagicibasi)

A

Cultuur waarin persoonlijke vrijheid en zelfstandigheid belangrijk zijn

72
Q

Collectivistische cultuur (Kagicibasi)

A

Cultuur waarin het belang van de groep voorop staat

73
Q

Kruispuntdenken

A

Begrijpen dat een mens meerdere identiteiten heeft.
Meerdere invloeden spelen rol in hoe de persoon in elkaar zit.
Ondersteuning afstemmen op die verschillende identiteiten en verschillende kenmerken van een persoon

74
Q

Symbolisch kapitaal

A

Het hebben van status, erkenning en waardering

74
Q

Sociaal kapitaal

A

Relaties en netwerken die je hebt en jou kunnen helpen om dingen te bereiken

74
Q

Cultureel kapitaal

A

Kennis/vaardigheden die je helpen om succesvol te zijn in de samenleving

75
Q

Veld=
(habitus, kapitaal).

A

Sociaal systeem waarin mensen met elkaar omgaan

75
Q

Habitus=
(kapitaal, veld).

A

Je manier van denken,voelen,doen, worden beïnvloed door je omgeving en opvoeding

76
Q

Economisch kapitaal

A

Financiële middelen en je bezit

77
Q

Kapitaal=
(veld, habitus).

A

Je middelen die je kunt inzetten in het veld

77
Q

Normen

A

Regels die je moet volgen als sociaal werker

78
Q

Waarden

A

Principes die belangrijk zijn