introductie histologie en apoptose Flashcards
organismus
organisme
organum
orgaan
textus
weefsel
cellula
cel
nucleus
celkern: bevat het DNA en regelt de processen in de cel
nucleolus
kernlichaampje: productie ribosomen
cytoplasma
cytoplasma: oplosmiddel in de cel waarin de organellen liggen
membrana cellularis
celmembraan: buitenste laag van de cel, regelt welke stoffen er in en eruit gaan
vas sanguineum
bloedvat: bloedsomloop
arteria
slagader: zuurstofrijk bloed rondpompen van hart naar weefsel
vena
ader: zuurstofarm bloed van het weefsel naar het hart brengen
nervus
zenuw: geven seintjes vanuit de hersenen door aan de weefsels
textus muscularis
spierweefsel: lichaamsbewegingen regelen
textus connectivi
bindweefsel: beschermen organen
cartilago
kraakbeen: zorgt voor minder wrijving tussen gewrichten
textus osseus
botweefsel: geeft stevigheid en vorm aan het lichaam
adipocytus
vetcellen: reserve van voedingsstoffen
tractus digestivus
spijsverteringskanaal
epitheel
bedekt organen en het lichaam
uitstulpingen vormen klieren
steunweefsel
bevat extracellulair matrix (elastine en collageen vezels met vloeistof, de grondsubstantie) – > samenstelling bepaald stevigheid
mesenchymaal van oorsprong: uit mesoderme kiemlaag van de embryo
erythrocyten
rode bloedcellen zonder kern
lymphocyten
witte bloedcellen
monocyten
fagocyten
spierweefsel
bevat contractie elementen (actine en myosine)
- skeletspier
- gladde spier
- hartspier
zenuwweefsel
centrale en perifere zenuwstelsel
- neuronen
- gliacellen
- melanocyten, chromaffiene
apoptose
geprogrammeerde celdood
- aggregatie van chromatine aan kernmembraan
- fragmentatie van DNA en celkern
- verlies van mitochondrien
- krimpen
- blebbing: vorming van celfragmenten
- wordt opgenomen door macrofagen
necrose
pathologisch afsterven van een cel:
- de cel zwelt op en barst
- infectie ontstaat