Ijstijden Flashcards
Regressie
Zeebodem wordt land: verwerving en erosie
Transgressie
Land wordt zeebodem: sedimentatie
Glaciaal
Een lange, koude periode binnen een ijstijd, met uitgebreide ijskappen en gletsjers
Intergraciaal
Een lange, warmere periode tussen twee glaciale perioden, waarin ijskappen en gletsjers zich terugtrekken
Stadiaal
Een korte, koudere periode binnen een (inter)glaciale periode
Interstadiaal
Een korte, warmere periode binnen een (inter)glaciale periode
Gevolgen
Rotsblokken meegenomen en afgeglad, u-vormige valleien ipv v-vormige, waterval/stroomversterking door afgesneden zijvalleien, enkel heel harde gesteente blijft over
Hoe kouder, hoe lager de zeepeil
Hoe meer neerslag valt onder de vorm van sneeuw, hoe meer sneeuw er blijft liggen
Plantenrijk
Jaarringen en pollenanalyse
Jaaringen: dendroklimatologie
Dik: warm en nat, dun: koud en droog
Pollenanalyse
Pollen: stuifmeelkorrels van planten die worden bewaard in afzettingen. Geven een beeld van de aanwezige vegetatie. Eik: droog, den: warm vochtig
Kouder klimaat: meer 18O
16O is lichter en verdampt beter waardoor 18O achterblijft. Het verdampte water verandert in sneeuw (in de ijskappen) en gaat niet terug in de oceaan
Kalksteen: 18O en 16O
Koude periode: vooral 18O in kalksteen
3 indicatoren boring ijskap
Isotoop v zuurstof (verhouding: 16O en 18O), CO2-concentratie door lucht gevangen in ijs, zeespiegel reconstrueren
Varven: def
Gelaagde sedimenten, afgezet in glaciale meren
Varven winter
Koud weer -> water vh meer bevriest -> bezinking vd kleine deeltjes -> donkere laag
Varven zomer
Warm weer -> veel beweging ih water -> bezinking vd grote deeltjes -> lichte laag
Afwijking vd baan vd aarde rond de zon ve perfecte cirkel
Excentriciteit
Verandering vd hoek tussen rotatieas vd aarde en de loodlijn op haar baanvak
Obliquiteit
Geleidelijke verandering vd rotatieas vd aarde
Precessie