Holandés1 Flashcards
Boven
Arriba
roze
rosado
licht blauw
celeste
Hand
mano
Wat
Qué
dat
eso
Beneden
Abajo
rood
rojo
Been
pierna
Is
es
een
un
Ontbijt
Desayuno
wit
blanco
Knie
rodilla
Uw
su
makkelijk
fácil
gek
Loco
blauw
azul
Voet
pie
Naam
nombre
ook
también
Boter
mantequilla

oranje
naranja
Hoofd
cabeza
Dag
hola
zeker
sí por supuesto
kop-kopje

taza
gel
amarillo
Neus
nariz
Mevrouw
señora
denken
a ver
tas
bolso

groen
verde
Tong
lengua
Goedemiddag
buenas tardes
kijk
mira
lunch
almuerzo
paars
morado
Mond
boca
kan (kunnen)
puedo
hier
aquí
de groente
verdura
zwart
negro
Haar
cabello
ik
yo
staat (staan)
estar de pie
iets
algo
bruin
marrón
Mes
cuchillo
u
le usted
moeilijk
difícil
raam
ventana
Bel
timbre
helpen
ayudar
vergeet (vergeten)
olvidar
de stoel - stoelen
silla-sillas
Kam
peine
wil (willen)
querer
niets
nada
Bal
pelota
mij
me
de honger
hambre
Kip
pollo
inschrijven
inscribir
geld
dinero
Lip
labio
goed
bueno
betalen
pagar
Vis
pescado
mijn
mi
vinden
gustar
Kop
tasa
waar
dónde
langzaam
lento
Sok
calcetín
woont (wonen)
vivir
Mug
mosca
Tas
bolsa
in
en
Pot
cafetera

en
y
Bus
autobús
Doorlopen
Avancen
Kom op!
Vamos
Wat je wil
Qué tú quieres
Waar ben je?
Dónde estás?
Wat willen we?
Qué queremos??
Dat was fantastich
Eso fue fantástico
ik weet het niet
No lo sé
met
con
zonder
sin
dragen (we, jullie, ze)
draagt (je, hij, zij)
draag (Ik)
vestir
Broek
pantalón
gezond
saludable
knop
botón
ik dans graag
me gusta bailar
ik lees graag
me gusta leer
het is half zes
son las 5.30
het is half drie
son las 2.30
vaak
muchas veces
vlek
mancha
hals
cuello
we, jullie,ze spelen
ik speel
je,hij, zij speelt
jugar
hij praat veel
él habla mucho