Februari Flashcards
1
Q
Be good at
A
Zijn goed in
2
Q
Speak fluently
A
Spreken vloeiend
3
Q
To have a talent for
A
Hebben aanleg voor
4
Q
Выучить наизусть
A
Uit het hoofd leren
5
Q
I find it hard to
A
Ik vind het lasting om te
6
Q
I have trouble with
A
Ik heb moeite met
7
Q
To hate
A
Een hekel hebben aan
8
Q
Pregnant
A
Zwanger
9
Q
I swear
A
Il zweer (zweren)
10
Q
Murder
A
De moord
11
Q
Cheating,affair
A
Vreemdgaat
12
Q
To take a course
A
Een cursus volgen
13
Q
Have you ever
A
Heb jij weleens
14
Q
To have contact with
A
Contact hebben met
15
Q
On your own
A
In je eentje
16
Q
The importance of
A
Het belang van
17
Q
Fat, carbohydrate
A
Het vet, het koolhydraat
18
Q
Advantage
A
Het voordeel (hebben)
19
Q
Disadvantage
A
Het nadeel
20
Q
Im enjoying that
A
Dat bevalt me wel (beviel)
21
Q
Topic
A
Onderwerp
22
Q
The number
A
Het aantal
23
Q
Rise
A
Stijgen
24
Q
Decline
A
Dalen
25
Q
Conclude
A
Concluderen
26
Q
A