ewhjwnmd Flashcards
vwdcdca
1
Q
echter,maar
A
aber
2
Q
de alinea
A
der absatz
3
Q
allerdingsechter,zeer zeker
A
allerdings
4
Q
dus
A
also
5
Q
ook
A
auch
6
Q
bovendien
A
auberdem
7
Q
bijvoorbeeld
A
zum beispiel
8
Q
want
A
denn
9
Q
bijna
A
fast
9
Q
waarom
A
deshalb
10
Q
de reden
A
der grund
11
Q
nu
A
jetzt
12
Q
makkelijk
A
leicht
13
Q
meestal
A
meistens
14
Q
alleen maar
A
nur
15
Q
mooi
A
schon
16
Q
al
A
schon
17
Q
moeilijk
A
schiewerig
18
Q
mischien
A
vielleicht
19
Q
omdat
A
weil
20
Q
als
A
wenn
21
Q
(on) belangerijk
A
(un)wichtig
22
Q
de tekst
A
die zeile