dutch random verbs Flashcards
Accepteren
Accept
Annuleren
cancel
Antwoorden
answer
Arriveren
arrive
Beginnen
start
Begrijpen
understand
Bijten
bite
Blijven
stay
Bouwen
build
Brengen
bring
Denken
think
Doen
do
Douchen
shower
Draaien
turn
Eten
eat
Gaan
go
Gebruiken
use
Geloven
Believe
Geven
give
Halen
get
Hangen
hang
Hebben
have
Helpen
help
Herinneren
Remember
Heten
to be called
Horen
to hear
Houden van
to love
Kennen
to know
Vasthouden
to hold
Kijken
watch
Klimmen
climb
Koken
cook
Komen
come
Kopen
buy
Kunnen
Can
Kwetsen
hurt
Lachen
laugh
Laten
let, leave
Leren
learn
Lesgeven
teach
Leven
live
Lezen
read
Liggen
lie
Lopen
walk
Luisteren
listen
Maken
make
Moeten
have to
Mogen
allowed to, may
Nemen
take
Nodig hebben
need
Ontvangen
receive
Openen
Opmerken
notice
Plannen
plan
Praten
talk
Proberen
try
Rennen
run
Rijden
drive
Rusten
rest
Schrijven
write
Slapen
sleep
Spelen
play
Spreken
speak
Springen
jump
Staan
stand
Studeren
study
Sturen
send
Telefoneren
call
Tekenen
draw
Terugkeren
return
Tillen
Lift
Dragen
Carry
Trekken
pull
Uitleggen
explain
Vallen
fall
Vangen
catch
Voelen
feel
Vergeten
forget
Verlaten
leave
Verslaan
beat
Vertellen
tell
Verwijzen
refer
Verzamelen
collect
Vinden
find
Vragen
ask
Wachten op
To wait for
Wakker worden
wake up
Wassen
wash
Wensen
wish
Werken
work