DUTCH Flashcards

1
Q

Alliteratie

A

Beginrijm. Woorden die in de buurt van elkaar staan en met dezelfde letter of klank beginnen. Bijvoorbeeld: haar – hem of chagrijnige Sjaak.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Assonantie

A

Klankrijm. Woorden met dezelfde klank die in de buurt van elkaar staan.
Bijvoorbeeld: slappe – platte; vroege – coole.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Autobiografie

A

Boek waarin de auteur een beschrijving geeft van (een deel van) zijn eigen leven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Beeldspraak

A

Praten met beelden. De schrijver gebruikt een beeld om iets uit te leggen.
Bijvoorbeeld: Je bent een bloem. De ‘jij’ wordt vergeleken met een bloem. De dichter bedoelt: je bent zo mooi als een bloem.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Bijfiguren

A

Een verhaal heeft een of meer hoofdpersonen. De andere personages zijn bijfiguren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Dystopie

A

Verhaal dat zich in de toekomst afspeelt. Meestal heeft er een ramp plaatsgevonden en/of zijn er mensen aan de macht gekomen die andere mensen onderdrukken. Daardoor is de wereld veranderd in een plaats waar je niet zou willen leven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Eindrijm

A

Het laatste woord van een regel rijmt op het laatste woord van een vorige regel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Feelgoodverhalen

A

Verhaal dat fijn is om te lezen, omdat het ‘wensvervullend’ is: je hoopt dat er iets fijns gebeurt met de hoofdpersoon en dat gebeurt dan ook.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Flashback

A

Een sprong terug in de tijd. Er wordt iets beschreven wat eerder is gebeurd (bijvoorbeeld doordat iemand zich iets herinnert).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Genre

A

(spreek uit: zjan-re)
Soort verhaal, bijvoorbeeld griezelverhaal of verhaal over geschiedenis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hij/zij-vorm

A

Als er geen ik-persoon in het verhaal voorkomt, is het verhaal geschreven in de hij- of zij-vorm

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Historische boeken

A

Boeken over geschiedenis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Hoofdpersoon

A

De persoon over wie het hele boek gaat. Je kunt lezen wat hij/zij denkt en voelt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Ik-vorm

A

Als een verhaal een ik-persoon heeft, is het geschreven in de ik-vorm. Je weet wat de ikpersoon denkt en voelt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Informatief boek

A

Informatieve boeken zijn geschreven om je informatie te geven over een bepaald onderwerp. De meeste informatieve boeken bestaan uit korte hoofdstukjes met kopjes. Ook staan er vaak afbeeldingen bij.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Inleven

A

Je voorstellen hoe het is om iemand anders te zijn of hoe iemand anders zich voelt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Ironie

A

Ergens mee spotten, bijvoorbeeld door het tegenovergestelde te zeggen van wat je bedoelt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Karaktereigenschap

A

Hoe iemand is. Bijvoorbeeld: vrolijk, slordig, grappig, lui of rustig.

18
Q

Letterlijk en figuurlijk taalgebruik

A

‘Het regent’ is een voorbeeld van letterlijk taalgebruik: je zegt precies wat je bedoelt. ‘De hemel huilt’ is figuurlijk taalgebruik: je bedoelt iets anders dan je letterlijk zegt.

19
Q

Limerick

A

Grappig bedoeld gedichtje van vijf regels met een vast rijmschema (a a b b a). In de eerste regel worden meestal een personage en een plaatsnaam genoemd.

20
Q

Onderwerp

A

Waar het verhaal over gaat. Bijvoorbeeld: pesten, verliefdheid, voetbal.

21
Q

Ontwikkeling van een personage

A

In de meeste boeken veranderen personages door wat ze meemaken. Die verandering noem je ‘ontwikkeling’.

22
Q

Overdrijving

A

Iets groter of erger maken dan het is.

23
Q

Parodie

A

Iets belachelijk maken door het na te doen.

24
Q

Perspectief

A

Het perspectief ligt bij de persoon in het verhaal van wie je weet wat hij denkt en voelt. Meestal is dat de hoofdpersoon.

24
Q

Puntdicht

A

Kort gedicht met in de laatste regel(s) een (taal)grapje.

25
Q

Realistisch

A

De personen in een verhaal maken dingen mee die in het echt ook kunnen gebeuren.

26
Q

Regel

A

Een regel in een gedicht hoeft niet te beginnen met een hoofdletter of te eindigen met een leesteken. Het zijn gewoon alle woorden die op één regel staan.

26
Q

Rijm

A

Als de laatste stukjes van twee woorden hetzelfde klinken, rijmen ze.
Bijvoorbeeld: feest – geweest; toeter – computer.

27
Q

Rijmschema

A

De manier waarop de regels van een gedicht op elkaar rijmen. Je maakt een rijmschema door alle regels die op elkaar rijmen dezelfde letter te geven.
Bijvoorbeeld: a b b a. Dit noem je omarmend rijm. Gepaard rijm is a a b b; gekruist rijm is a b a b.

28
Q

Ruimte

A

De plaats waar een verhaal zich afspeelt. Bijvoorbeeld buiten of binnen, in een stad of een bos, op een school of bij iemand thuis.

29
Q

Sciencefiction

A

Verhaal dat zich in de toekomst afspeelt en waarin technologieën worden gebruikt die nu (nog) niet bestaan.

30
Q

Sfeer

A

Hoe iets aanvoelt. Bijvoorbeeld griezelig of gezellig.

31
Q

Sonnet

A

Een gedicht dat bestaat uit veertien regels, die zijn verdeeld over vier strofen. De eerste twee strofen bestaan elk uit vier regels, de laatste twee strofen elk uit drie. Een sonnet heeft een strak rijmschema.

32
Q

Strofe

A

De regels in een gedicht die bij elkaar horen. Tussen de strofen is een regel overslagen.

33
Q

Tijd

A

De tijd waarin een verhaal zich afspeelt. Historische verhalen kunnen zich bijvoorbeeld afspelen in de tijd van de Grieken en Romeinen, ridders en monniken, ontdekkers en hervormers, pruiken en revoluties of burgers en stoommachines.

34
Q

Uiterlijke kenmerken

A

Hoe iemand eruitziet.
Bijvoorbeeld: lang, slank, bruine ogen, blond haar.

34
Q

Understatement

A

Iets kleiner of minder erg maken dan het is.

35
Q

Verhaallijn

A

Beschrijft (met een begin, een middenstuk en een einde) wat een personage meemaakt. Als een boek meerdere verhaallijnen heeft, hebben deze altijd iets met elkaar te maken.

36
Q

Vooruitwijzing

A

Aanwijzing dat er iets gaat gebeuren, vaak zonder dat je precies weet wat er gaat gebeuren.

37
Q

Wisseling van tijd, plaats, perspectief

A

Een schrijver kan een verhaal spannend maken door regelmatig van tijd, plaats en/of perspectief te wisselen. Hij kan je hiermee informatie geven, maar ook een beetje misleiden.

38
Q

Woordspeling

A

Een spelletje met woorden.
Bijvoorbeeld: Ze heeft dikke billen, maar ze zit er niet mee.

39
Q

Zin

A

Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt, uitroepteken of vraagteken.