Dialogues Flashcards
What’s your name?
Hoe heet jij/ je?
Wat is jouw/ je naam?
Wie ben jij?
Wat is jouw/ je voornaam?
Where are you from?
Waar kom je/ jij vandaan?
How are you? / What’s is going on with you? (literally)
Hoe gaat het met je?
My name is…
Mijn naam is…
I come from …
Ik kom uit …
I’m doing well / bad / not so good / very good / fantastic / perfect.
Met mij gaat het goed / slecht / niet zo goed / heel goed / fantastisch / perfect.
What are your hobbies? / What do you like to do? / What do you like? / What do you do in your spare time?
Wat zijn je hobby’s?/ Wat doe jij graag?/ Wat vind jij leuk?/ Wat doe jij in je vrije tijd?
I love playing football and I like going to the movies.
Ik houd van voetballen en ik ga graag naar de film.
What are you doing this afternoon?
Wat doe jij vanmiddag?/ Wat ga je vanmiddag doen?
We’re going to the movie this afternoon. Are you coming?
Vanmiddag gaan we naar de film. Ga je mee?
Yes, nice. I will go with you.
Ja, leuk. Ik ga mee
Oh, great! See you then!
O, leuk! Tot dan!
How old is your father?
Hoe oud is je vader?
My father is sixty-one years old
Mijn vader is eenenzestig jaar oud
Is your mother tall, blonde and has blue eyes?
Is je moeder groot, blond en heeft ze blauwe ogen?
Do you have sisters and brothers? Tell us about your sister(s) and brother(s).
Heb je zussen en broers? Vertel over je zus(sen) en broer(s).
No, I have no brothers and sisters.
Nee, ik heb geen broers en zussen.
Yes, my brother is 27 years old and he is studying. He is tall and slim and has brown hair.
Ja, mijn broer is 27 jaar oud en hij studeert. Hij is lang en slank en heeft bruin haar.
My sister is 30 years old and she works. She is small and chubby and has blond curly hair.
Mijn zus is dertig jaar oud en zij werkt. Zij is klein en mollig en heeft blond krullend haar.
Do you have grandparents? How old are they?
Heb je opa’s en oma’s? Hoe oud zijn ze?
My father’s parents are dead. My grandmother on my mother’s side is 90 years old and my grandfather on my mother’s side is 95 years old.
De ouders van mijn vader zijn dood. Mijn oma van mijn moeders kant is negentig jaar oud en mijn opa van mijn moeders kant is vijfennegentig jaar oud.
My aunt is my mother’s sister and they look very much alike. They are tall and have grey hair.
Mijn tante is de zus van mijn moeder en ze lijken heel veel op elkaar. Ze zijn groot en hebben grijs haar.