Définition Flashcards

1
Q

Iets zeggen. Synoniem: praten.

A

Spreken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Een camera gebruiken om iets of iemand te fotograferen.

A

Een foto maken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Woord dat je gebruikt om iets op een beleefde manier te vragen.

A

Alstublieft

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Woord om te vragen naar de hoeveelheid.

A

Hoeveel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Verbinding met het internet zonder kabel.

A

De wifiverbinding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Woord dat je gebruikt om een beleefde vraag te starten.

A

Excuseer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Iets gemakkelijker maken voor iemand; help geven; iemand bijstaan.

A

Helpen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Vraag om iets uit te leggen of om te vragen naar de betekenis van iets.

A

Wat betekent dit?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Niet slecht

A

Goed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Taal die vooral in Nederland en Vlaanderen wordt gesproken.

A

Het Nederlands

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoeveel je moet betalen om iets te kopen.

A

Kosten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Nog een keer doen.

A

Herhalen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Plaats waar treinen, bussen en metro’s stoppen.

A

Het station

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Woord om te vragen naar de plaats of locatie van iets of iemand.

A

Waar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

De periode in de dag van 18.00 u. tot 00.00 u.

A

De avond

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Woord dat je zegt om iemand te begroeten. Synoniem: hallo.

A

Dag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

De periode in de dag van 00.00 u. tot 06.00 u.

A

De nacht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat je zegt om iemand in de morgen te begroeten.

A

Goedemorgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Naar een andere plaats gaan.

A

Weggaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Een periode van 24 uur; de tijd van 00.00 u. tot 00.00 u.

A

De dag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Hetzelfde als iets of iemand anders.

A

Ook

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Vraag om te informeren hoe het met de andere persoon gaat.

A

En met jou?

23
Q

Beleefdheidsformule die je gebruikt als je iemand ontmoet.

A

Hoe gaat het?

24
Q

Wat je zegt als jij of iemand weggaat.

25
Q

Wat je zegt om iemand in de avond te begroeten.

A

Goedenavond

26
Q

De periode in de dag van 06.00 u. tot 12.00 u. Synoniem: ochtend.

27
Q

Punt in de tijd. Synoniem: ogenblik.

A

Het moment

28
Q

Een manier om dag te zeggen voor je gaat slapen. Meestal wordt (‘Slaapwel!’ (VL) of ‘Welterusten!’ (NL) gebruikt.

A

Goedenacht

29
Q

De periode in de dag van 12.00 u. tot 18.00 u. Na de middagpauze ook namiddag genoemd.

30
Q

Woord dat je zegt om iemand te begroeten. Synoniem: dag.

31
Q

Formuleringen om hallo te zeggen aan iemand.

A

De begroetingen

32
Q

Met iemand kennismaken en praten met die persoon. Synoniem: tegenkomen.

33
Q

Wat je zegt om iemand in de middag te begroeten.

A

Goedemiddag

34
Q

Land waar je bent geboren.

A

Het geboorteland

35
Q

Taal die vooral in Nederland en Vlaanderen wordt gesproken.

A

Het Nederlands

36
Q

Hoe oud iets of iemand is.

A

De leeftijd

37
Q

Zeggen waar iemand is geboren.

38
Q

Verbum dat gebruikt wordt om dingen, personen of situaties te benoemen of te beschrijven.

39
Q

Woord om te zeggen uit welk land je komt; de nationaliteit staat in je paspoort. In België ook: Zijn nationaliteit is Belg.

A

De nationaliteit

40
Q

Ter wereld komen.

A

Geboren zijn

41
Q

Grote plaats waar veel mensen wonen.

42
Q

De vrouwelijke ouder van een kind.

43
Q

Land aan de Noordzee met een grens in het zuiden met België en in het oosten met Duitsland.

44
Q

Informatie over de plaats waar iemand woont.

45
Q

Een leven en een huis ergens hebben.

46
Q

Dag, maand en jaar waarop iemand is geboren.

A

De geboortedatum

47
Q

Uitdrukking om te zeggen hoe oud iets of iemand is.

A

… jaar oud zijn

48
Q

Een land in West-Europa. Het heeft grenzen met Nederland, Duitsland, Luxemburg en Frankrijk.

49
Q

Uitdrukking om iets of iemand te introduceren.

50
Q

Om te zeggen wat de nationaliteit is. Synoniem in België: Belg.

51
Q

Een combinatie van de voor- en achternaam.

52
Q

De naam die een familie draagt. Synoniem: familienaam.

A

De achternaam

53
Q

De naam voor je achternaam.

A

De voornaam