Course Week 3 Flashcards
1
Q
Gemakkelijk
A
einfach
1
Q
wortels
A
möhren
2
Q
Uien
A
Zwiebeln
3
Q
Aardappelen
A
Kartoffeln
4
Q
ik weet het niet
A
ich weiß es nicht
5
Q
misschien
A
Vielleicht
6
Q
iets
A
etwas
7
Q
Geeft niet
A
ist egal
8
Q
kwart
A
viertel
9
Q
ziekenhuis
A
krankenhaus
10
Q
gisterennacht
A
letzte nacht
11
Q
uitstoot
A
Emissionen
12
Q
krant
A
Zeitung
13
Q
goedkope
A
billiger
14
Q
keertje
A
irgendwann
15
Q
binnenkort
A
in Kürze
16
Q
bruiloft
A
Hochzeit
17
Q
daarnar
A
danach
18
Q
prikkels
A
Anreize
19
Q
Ontploffing
A
Explosion
20
Q
spieren
A
muskeln
21
Q
groeit
A
wächst