Chapter 5 Flashcards
ziek
sick
de maandag
Monday
het dictee
the oral exam
de keel
the throat
hoesten
to cough
Gaat het .. goed?
de moeder
de keelpijn
throat pain
voelen aan
feel
het hoofd
the head
warm
warm
de mond
the mouth
kijken
to look
de dokter
the doctor
’s middags
afternoon
de hoestdrank
the cough syrup
voor
in front of
de fles
the bottle
innemen
take
dromen over
dream about
door
by
zweten
to sweat
wakker worden
verb
drinken
to drink
de droom
the dream
weer
weather
het woord
the word
het woordje
the small word
hij heeft
he has
zich niet lekker voelen
feeling unwell
pijn doen
hurt
veel
very
leren
to learn
echt
really
de hele tifd
all the time
het voorhoofd
the forehead
erg
very
de koorts
fever
opendoen
to unlock
bellen
to call
naar bed gaan
to go to bed
de apotheek
the chemists
halen
to fetch
lezen
to read
de lepel
the spoon
in slaap vvallen
falling asleep
vliegen
to fly
de lucht
the sky
midden in de nacht
middle of the night
vergeten
to forget
rustig
quiet
dorst hebben
to be thirsty
vallen
to fall
worden
to turn into