Chapter 3 Flashcards
Wie is dat?
Aardig
nice, friendly
Altijd
always
Baard, de
beard, the
Beroep, het
profession, the
Beschrijven
to describe
Bijvoordbeeld
for example
Bril, de
glasses, the
Broer, de
brother, the
Clown, de
clown, the
Denken
to think
Dezelfde
the same
Dief, de
thief, the
Dik
thick
Dochter, de
daughter, the
Dom
stupid
Donker
dark
Dood
dead
Druk
busy
Dun
thin
Elkaar
each other
Emotioneel
emotional
Familie, de
family, the
Fiets, de
bicycle, the
Geduldig
patient
Glukkig
luckily/happy
Gemeen
mean
Gescheiden
divorced
Gespierd
muscular
Gestolen
stolen
Getrouwd
married
Grappig
funny
Haar, het
hair, the
Helemaal
totally/completely
Herhalen
to repeat
Iemand
somebody
Ijveig
diligent
Jammer
unfortunately/a pitty
Krullend
curly
Langzaam
slow(ly)
Leven
to live
Lijken op
to resemble
Logeren
to stay over
Lui
lazy
Mensen, de
people, the
Natuurlijk
of course
Neef, de
nephew, the/cousin/the
Netjes
decent
Nicht, de
niece, the/female cousin
Nog
yet/still/further
Normaal
normal
Nuchter
down-to-earth
Ongeduldig
impatient
Onzeker
uncertain
Oom, de
uncle, the
Optimistisch
optimistic
Overleden
deceased
Pessimistisch
pessimistic
Postuur, het
posture, the
Precies
precise, exactly
Realistisch
realistic
Romantisch
romantic
Rustig
quiet
Schoonzus, de
sister-in-law, the
Secretaresse, de
secretary, the
Slank
slender
Slim
smart/intelligent
Slordig
sloppy
Snel
fast/quickly
Snor, de
mustache, the
Somber
miserable
Sportief
sporty
Samboom, de
family tree, the
Sterk
strong
Tante, de
aunt, the
Tegenovergestelde, het
opposite, the
Topsporter, de
professional athlete, de
Uiterlijk, het
appearance, the
Uitspaak, de
pronunciation, the
Vrolijk
gay/cheerful
Want
because
Wegfietsen
to bike away
Wisselen
to change
Zelfverzekerd
confident
Zwager, de
brother-in-law