204 Flashcards
Een fles
Une bouteille de
Een lepel
Une cuillère de
Een tiental
Une dizaine de
Een twaalftal / dozijn
Une douzaine de
Een gram
Un gramme de
Een kilo
Un kilo de
Een liter
Un litre de
Een stuk
Un morceau de
Een beetje
Un peu
Een snuifje
Une pincée de
Een tablet
Une tablette de
Een kopje
Une tasse de
Een sneetje
Une tranche de
Te veel
Trop de
Een glas
Un verre de
De drank
La boisson
De cola
Le coca
Het bruiswater
L’eau pétillante
Plat water
L’eau plate
De limonade
La limonade
De wijn
Le vin
Het diepe bord
L’assiette creuse
Platte bord
L’assiette plate
Het kommetje
Le bol
Het mes
Le coteau
De lepel
La cuillère
De vork
La fourchette
De pollepel
La louche
Het kopje
La tasse
Het glas
Le verre
Het aperitief
L’apéritif
Het nagerecht
Le dessert
Het voorgerecht
L’entrée
Het vieruurtje
Le goûter
Het (hoofd) gerecht
Le plat (principal)
Toevoegen
Ajouter
Kloppen
Battre
Koken op 100 graden
(Faire) bouillir
(Ver) snijden
Couper
Koken braden
(Faire) cuire
Koken kokkerellen
Cuisiner
De tafel afruimen
Débarrasser la table
Schillen pellen
Éplucher
Smelten
(Faire) fondre
Proeven
Goûter
Roosteren
(Faire) griller
Mengen
Mélanger
In de oven zetten
Mettre au four
De tafel dekken
Mettre la table
Doorgeven
Passer
Klaarmaken bereiden
Préparer
(Be) dienen
Servir
Roeren draaien
Tourner
Gieten
Verser