1.2 Flashcards
Aardbei
Fraise
Boon
Aricot
Broodje
Pain
Gebakje
Gâteau
Geitenkaas
Fromage
Garnaal
Crevettes
Hesp
Jambon
Kalf slapjes
Fillet
Kers
Cerise
Kool
Laitue
Mossel
Moules
Muntje
Œuf
Worst
Mergez
Varkens vlees
Porc viande
Groente
Légume
Brood kraam
Boulangerie
Snoepje
Bonbons
Zuivel kraam
P laitier
Broek
Pantalon
Hemd
Chemise
Jas
Veste
Das
Cravate
Muts
Bonnet
Pet
Chapeau
Rok
Jupe
Sjaal
Écharpe
Trui
Pull
Gebloemd
Fleuri
Geruit
A carreaux
Gestreepte
A réuur
Woonkamer
Salon
Tuin
Jardin
Keuken
Cuisine
Hout
Boit
Moet weg wegen
Doit être vendu car
Spiegel deur
Porte en miroir
Groot
Groter/groost
Klein
Kleiner/kleinst
Snel
Sneller
Oud
Ouder/oudst
Jong
Jonger/jongst
Duur
Duurder/duurst
Zwaar
Zwaarder/zwaarst
Proper
Properder/properst
Veel
Meer/meest
Weining
Minder/minst
Graag
Liever/liefst
Goed
Beter/best