voca a f-n Flashcards
la rentrée
de eerste schooldag
rencontrer
ontmoeten
l’ami(e)
de vriend(in)
le frére
de broer
le/la jeune
de jongere
la découverte
de ontdekking
en avion
met het vliegtuig
en train
met de trein
en bateau
met de boot
en voiture
met de auto
Comment vas-tu?
hoe gaat het met je?
Ca va bien/ pas mal.
het gaat goed/ niet slecht
Tu as passé de bonnes vacances?
heb je een leuke vancantie gehad
Oui, c’était super!
ja, het was super!
Tu as été où?
waar ben je naartoe geweest
J’ai été en Italie en voiture
ik ben met de auto naar italie geweest
pourquoi
waarom
parce que
omdat
mais
maar
incroyable
ongelofelijk
content(e)
tevreden
en Espagne v
in/naar Spanje
en Allemagne v
is/naar Duitsland
en Angleterre
in/naar Engeland
aux Pays-Bas m mv
in/naar Nederland
en Belgique v
in/naar Belgie