THEMA 4: Les 1 Flashcards
1
Q
Shopping
A
Boodschappen doen
2
Q
Singing
A
Zingen
3
Q
Jumping rope
A
Touwtjespringen
4
Q
Zoo
A
De zoo/De dierentuin
5
Q
Gymnastics
A
Turnen
6
Q
Visit/See
A
Bezoeken
7
Q
To tidy up
A
Opruimen
8
Q
Gardening
A
Tuinieren
9
Q
Vacuuming
A
Stofzuigen
10
Q
Theatre
A
Toneel/Theatre
11
Q
Drawing
A
Tekenen
12
Q
Horse riding
A
Paardrijden
13
Q
Like/Love to do sth
A
Ik hou van … / Ik … graag.
14
Q
Not like/Hate to do sth
A
Ik hou niet van… / Ik … niet graag. / Ik haat …
15
Q
Have to
A
Moeten
16
Q
Summer
A
Zomer
17
Q
Reluctantly
A
Tegenzin
18
Q
Shirt
A
Hemden
19
Q
Toys
A
Speelgoed
20
Q
Messy
A
Rommelig
21
Q
Expensive
A
duur
22
Q
Dry
A
Droog
23
Q
empty
A
Leeg
24
Q
Dirty
A
Vuil
25
Q
Wet
A
nat
26
Q
full
A
vol
27
Q
cheap
A
goedkoop
28
Q
clean
A
proper
29
Q
Neat
A
netjes
30
Q
Cold
A
koud
31
Q
To wash up
A
Afwassen / de afwass doen
32
Q
cleaning
A
Poetsen
33
Q
hang the laundry on the rack
A
de was op het rek hangen
34
Q
Ironing
A
strijken
35
Q
doing laundry
A
de was doen