thema 1-les 1 Flashcards
Surname
Kennismaken
to get to know someone
afspreken
to make an appointment/to meet someone
luisteren
to listen
spreken
to speak
luisteren naar
to listen to
het boek
the book
de auto
the car
het zout
the salt
het huis
the house
de neus
the nose
het bier
the beer
het ijs
the ice(cream)
het ei
the egg
Goedemiddag
good afternoon
schrijven
to write
de getallen
the numbers
wonen
to live
Ik ben..
I am
Ik heet…
my name is…
Ik ben 30 jaar
I am 30 years old
Ik kom uit Amerika
I am from America
Werken
to work
komen
to come
Ik werk bij ….
I work at….
Ontmoeten
to meet
Studeren
to study
Slecht
Bad
Redelijk
reasonably
Goed
good
Denken
to think
Vragen
to ask
de vraag
the question
Kennen
to know
het antwoord
the answer
liggen
to lie (down)
stoppen
to stop
pakken
to take
gaan
to go
reizen
to travel
leven
to live
hebben
to have
zijn
to be
de cursus
the course
Nederlands
Dutch
de naam
the name