Politics 2 Flashcards
member[s]
het lid / de leden
election
de verkiezing
[political] party
de partij
voter[s]
de kiezer[s]
to vote for
stemmen op
voted
gestemd
voting
het stemmen
to demand / demanded / has demanded
eisen / eiste / hebben geeist
candidate
de kandidaat
rule
de regel
exception [to]
de uitzondering [op]
campaign
de campagne
enemy
de vijand
debt, fault
de schuld
decision
het besluit
prisoner
de gevangene
to fight
vechten
debate
het debat
to blame
geven de schuld
to campaign
voeren campagne
cause
de oorzaak
peace
de vrede
refugee
de vluchteling
war
de oorlog
to wage war / have waged
voeren oorlog / hebben gevoerd
army
het leger
violence
het geweld
navy
de zeemacht
air force
de luchtmacht
weapon
de wapen
to strike [from a job]
staken
power
de macht
strategy
de strategie
youth party
de partij voor de jeugd
to turn into
veranderen in