Chapter 7; Autism Spectrum Disorder Flashcards
Social cognition
Het verwerken van sociale en emotionele informatie op het gebied van jezelf en de ander
Social learning
Leren van anderen (gedrag imiteren en emoties overnemen) en leren over anderen (verlangen, overtuigingen etc…)
Joint attention
Communicatieve intenties zoals oogcontact, wijzen en gezamenlijke aandacht, die allemaal het proces van sociale interactie versoepelen en het makkelijker en nuttiger maken om deel te nemen aan de sociale wereld
Theory of Mind
De mogelijkheid om de mentale staat van een ander in te zien. Dat een kind begrijpt dat iemand anders een andere overtuiging heeft dan hij zelf
Affective social competence
De coördinatie van de mogelijkheden om emoties te ervaren, over te brengen en de emotiesignalen van anderen te begrijpen
Op welke 2 domeinen zijn er problemen bij ASD?
- Sociale en communicatieve problemen
- Herhalende gedragingen en gefixeerde interesses
Op welke manier wordt autisme gediagnosticeerd?
Op een spectrum, dimensionaal, gelet op de ernst van de symptomen, variërend van requiring support, naar requiring substantial support tot very substantial support.
Wat zijn de 4 DSM criteria voor ASD?
- Problemen in de sociale communicatie en -interactie in verschillende contexten
- Beperkte, herhalende patronen van gedrag, interesses of gedragingen
- Symptomen moeten aanwezig zijn in de vroege kindertijd
- Symptomen veroorzaken klinisch significante problemen in het functioneren
Welke 3 aspecten zijn betrokken bij subcortical en cortical brain netwoks?
- Sociale aandacht
- Sociale motivatie
- Sociale beloningen
Met welke basisemoties hebben kinderen met Autisme moeite?
- Schaamte
- Schuld
- Trots
Welke basisemoties kunnen kinderen met Autisme goed uiten?
- Blij
- Boos
- Verdrietig
- Bang
Emotion recognition
Moeite hebben met het herkennen van de gedachten, intenties, motieven en wensen die henzelf en anderen laten gedragen zoals ze doen
Waar wordt herhalend gedrag mee geassocieerd?
Angst
Fixated interests
Erg geïnteresseerd zijn in bepaalde objecten, maar vaak op en abnormale manier
Wanneer wordt de eerste diagnose van ASD gesteld?
Rond de leeftijd van 3 jaar
Mindblindness
Slecht ontwikkelde Theory of Mind
Context blindness
Het idee dat mensen met Autisme moeite hebben met het realiseren van welke informatie belangrijk is
Structure blindness
Het moeilijk kunnen differentiëren welke informatie belangrijk is en wanneer deze gebruikt moet worden. Stereotypisch denken hoort hier ook bij en het niet letten op details
Central coherence
Moeite met het integreren van informatie in een samenhangend geheel en het gebruiken van informatie in de juiste context en hier betekenis aan geven
Wat kan het verloop op de lange termijn bij Autisme voorspellen?
Werving van taal.
Comorbiditeit bij ASD
ADHD, depressie, angsten
Etiologie bij ASD
Genen, prenatale en vroege postnatale factoren, erfelijkheid.
Mirror neuron system
Neuronen die voor begrip van handelingen van anderen zorgen en hun intenties. Sociale cognitie wordt bemoeilijkt
Central coherence hypothesis
Informatie opnemen in kleinere delen. Wel beter in staat details op te nemen dan kinderen zonder ASD
Executive functioning
Plannen, geheugen, impulscontrole en aandachtscontrole is minder goed ontwikkeld bij kinderen met ASD
Empathazing-systemizing theory
Lager dan gemiddelde mate van empathie en hoger dan gemiddelde mate van systemizing (de wil om systemen te analyseren of construeren)
Two-hit model of autism
2 momenten waarop factoren een grote invloed hebben op het ontstaan en de uiting van autisme.
Welke 2 hits horen bij het two-hits model?
- Genetische en neurodevelopmental verstoringen die leiden tot een kwetsbaar hersengedrag systeem en slechte uitkomsten in de vroege kinderjaren
- Fysieke veranderingen (tijdens adolescentie) en grotere sociale uitdagingen
Plaid fabrics analogy
Het idee dat er veel verschillende patronen onder ‘ruitjes’ vallen, maar dat iedereen het er over eens is dat elk patroon hiervan uniek is
Applied behavior analyses
Intensieve behandeling gericht op gedrag. Zo vroeg mogelijk starten en meer dan 40 uur interventie per week, minimaal 2 jaar lang
Lovaas approach
Een specifiek gedragsaspect wordt aangeboden aan het kind met een onmiddellijke beloning als het kind dit imiteert en erop reageert
Welke 7 componenten horen bij het TEACCH model?
- Verbeterde adaptatie
- Samenwerking met ouders
- Individueel assessment
- Structuur in het lesgeven
- Nadruk op talenten
- Nut van cognitieve- en gedragstherapie
- Gegeneraliseerd trainingsmodel