80 Financial matters Flashcards
1
Q
Debt
A
Schuld
2
Q
Liable for
A
Aansprakelijk voor
3
Q
To go bankrupt/To go broke/To go bust
A
Failliet gaan
4
Q
Bankruptcy
A
Faillissement
5
Q
Setback
A
Tegenslag
6
Q
From scratch
A
Vanaf het begin
7
Q
Value
A
Waarde
8
Q
Valuable
A
Kostbaar/Waardevol
9
Q
Valuables
A
Kostbaarheden
10
Q
To beg
A
Bedelen
11
Q
Beggar
A
Bedelaar
12
Q
Generous
A
Gul/Vrijgevig
13
Q
To deduct
A
Aftrekken
14
Q
To transfer (into)/To remit (into)
A
Overmaken/Overboeken (naar)
15
Q
To boil down to
A
Neerkomen op
16
Q
To maintain
A
Onderhouden
17
Q
Maintenance
A
Alimentatie
18
Q
Proceeds
A
Opbrengst
19
Q
Auction
A
Veiling
20
Q
To play down
A
Bagastelliseren
21
Q
Quest
A
Zoektocht
22
Q
To soar/To rocket
A
Omhoogschieten
23
Q
To cash in (on)
A
Financieel profiteren (van)